Alle soorten › Zangvogels › Mussen › Indische rotsmus
Indische rotsmus | Gymnoris xanthocollis
Yellow-Throated Sparrow | Gorrión cuelligualdo
De Indische rotsmus is een kleine, effen gekleurde mus van open bos, palmgaarden en oeverbossen, die het westelijkste deel van zijn areaal in Mesopotamië heeft. Hij is een zomergast die in de winter naar India trekt; in de rest van het gebied is hij een zeldzaamheid.
Geluid
Een eentonige, regelmatige reeks heldere tsjilpjes, tsjiep … tsjiep … tsjilup, uren achtereen vanuit een boomtop; als een huismus die op de maat is gezet. De roep is een droog tsjilp.
Opname: Omar Alshaheen — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
12,5–14 cm. Kleiner en slanker dan een Huismus, met een fijne kop en een vrij lange, spitse snavel. Bovendelen effen grijsbruin, onderdelen vuilwit, de kop zonder enige tekening. Het mannetje heeft in de broedtijd een zwarte snavel, een helder citroengeel keelvlekje, een kastanjebruine schoudervlek en twee scherpe witte vleugelstrepen. Het vrouwtje is doffer, met een vleeskleurige snavel, nauwelijks kastanje en een klein of ontbrekend geel vlekje. Jonge vogels lijken op het vrouwtje met beige vleugelstrepen.
Verwarringssoorten
Het vrouwtje van de Huismus (Passer domesticus) heeft een lichte wenkbrauwstreep en een gestreepte rug. De Bleke rotsmus (Carpospiza brachydactyla) is groter, met een stompe zware snavel, lange vleugels en vage vleugelstrepen. De Moabmus (Passer moabiticus) is kleiner; het mannetje heeft een grijze kop, een zwart befje en een gele halsvlek.
Leefgebied
Open bos, rivier- en oeverbos met populieren en tamarisken, dadelpalmgaarden, boomgaarden, akkerranden met bomen en lichte acaciastruwelen. Broedt in boomholten en oude spechtengaten. Zoekt voedsel zowel in de bomen als op de grond.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Zomergast van april tot september in Irak, vooral in de palmgaarden en oeverbossen van Mesopotamië langs Eufraat en Tigris, en sinds 2003 broedend langs de Eufraat in Oost-Syrië. Dwaalgast of zeldzame doortrekker in Koeweit, Qatar en de Verenigde Arabische Emiraten; in Israël enkele gevallen en in Jordanië in juni 2011 voor het eerst gevangen bij Azraq, waar mogelijk een kleine broedpopulatie zit. Daarbuiten broedt hij van Zuidoost-Turkije en Iran tot Pakistan en India en overwintert hij in India.
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Zoek hem in de dadelpalmgaarden van Zuid-Irak of langs de Eufraat in de vroege ochtend en luister naar de regelmatige, metronoomachtige zang uit een boomtop. In de Golfstaten loont het om in voorjaarsparken en tuinen op een effen mus met witte vleugelstrepen te letten.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. De recente vondsten in Syrië en Jordanië wijzen mogelijk op een uitbreiding naar het westen.
Wetenschappelijke naam
Gymnoris xanthocollis | (Burton, 1838)
Burton beschreef de soort in 1838 als Fringilla xanthocollis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Gymnoris werd in 1845 ingevoerd door Blyth. Gymnoris is Grieks, van gumnos 'naakt' en rhinos 'neusgaten', naar de onbevederde neusgaten. xanthocollis betekent 'geelhalzig', van Grieks xanthos 'geel' en Latijn collum 'hals', naar de gele vlek op de keel. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Ganges tussen Calcutta en Varanasi.


