Alle soorten › Zangvogels › Mussen › Huismus

Huismus | Passer domesticus

House Sparrow | Gorrión común

De vertrouwde mus van huizen en erven, in het gidsgebied even goed thuis in de medina van Marrakech als in de Golfsteden, de Nijldelta en de oases diep in de Sahara. Overal waar mensen wonen en graan is, volgt hij; langs wegen en nieuwe nederzettingen heeft hij zich in de vorige eeuw ver de woestijn in verspreid.

Huismus (Passer domesticus)
Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het bekende tsjilp of tsjiep, in reeksen als eenvoudige zang vanaf een dak; verder een nasaal, ratelend tsjr-r-r-r bij alarm en ruzie, en een aanhoudend geroezemoes van groepen op de slaapplaats in een dichte boom.

Luister: RoepXC1175751

Opname: Uku Paal — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 14–16 cm, gedrongen, met een korte, zware kegelsnavel. Het mannetje heeft een grijze kruin, een kastanjebruine band van achter het oog tot in de nek, een grauwwitte wang, zwarte teugels en een zwarte bef op keel en bovenborst. De mantel is warm bruin met zwarte strepen, de stuit grijs, de onderdelen vuil grijswit, de vleugel met één witte streep; de snavel is zwart in de broedtijd en hoornkleurig daarbuiten. In de winter is het patroon door lichte veerranden gedempt. Het vrouwtje is vlak grijsbruin met een lichte wenkbrauwstreep achter het oog, een gestreepte rug en ongestreepte, vuilwitte onderdelen. Vogels in Egypte en op het Arabisch schiereiland zijn kleiner en bleker, met een wittere wang, dan die uit de Maghreb en de Levant.

Verwarrings­soorten

De Spaanse mus (Passer hispaniolensis) heeft een kastanjebruine kruin, een witte wang, een veel grotere bef en zwart gestreepte flanken. De Italiaans uitziende mengvogels van Algerije en Tunesië (Passer italiae) hebben een kastanjebruine kruin. De Woestijnmus (Passer simplex) is bleek zandkleurig, met bij het mannetje een grijze kop en een zwarte keel en teugels. De Moabmus (Passer moabiticus) is kleiner, met een geel vlekje aan de halszijde. De Ringmus (Passer montanus) heeft een geheel kastanjebruine kruin en een zwarte wangvlek, en beide seksen zijn gelijk.

Leefgebied

Steden, dorpen, boerderijen, havens, markten, tankstations en oases, en de akkers, tuinen en dadelpalmtuinen eromheen; van zeeniveau tot in de bergdorpen van de Atlas en Jemen. Nestelt in gaten en spleten in gebouwen, in muren van leem, in palmkruinen, lantaarnpalen en nestkasten, en soms vrij in bomen. Foerageert op zaad, graan, keukenafval en insecten, die vooral aan de jongen worden gevoerd.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

In het hele gidsgebied verspreid bij menselijke bewoning: in alle landen van Marokko tot Egypte, inclusief de oases van de Sahara, door de Levant, Syrië en Irak, en over het hele Arabisch schiereiland van Koeweit en de Golfstaten tot Oman en Jemen. Ontbreekt alleen in onbewoonde woestijn en hooggebergte. Verder van nature in vrijwel heel Europa en Azië tot de Himalaya, en door de mens verspreid naar Amerika, zuidelijk Afrika, Australië en vele eilanden.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Hij hoeft niet gezocht te worden, maar loont het bekijken: vergelijk in de Maghreb mannetjes op een dak met Spaanse en Italiaans uitziende mussen, en let in Arabië op de kleine, bleke vogels met witte wangen. In oases zijn de groepen bij de waterbakken het makkelijkst te zien.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en een van de meest verspreide vogels ter wereld. In delen van Europa is hij sterk afgenomen; in het gidsgebied is hij talrijk en volgt hij de groei van steden en irrigatielandbouw.

Wetenschappelijke naam

Passer domesticus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Fringilla domestica; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Passer werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Passer is het Latijnse woord voor 'mus'. domesticus is Latijn voor 'bij het huis horend', naar het leven van de vogel in de nabijheid van de mens. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.