Alle soorten › Zangvogels › Mussen › Arabische goudmus

Arabische goudmus | Passer euchlorus

Arabian Golden Sparrow | Gorrión dorado árabe

Een kleine, korte mus waarvan het mannetje vrijwel geheel citroengeel is, een van de opvallendste vogels van de Tihama in Zuidwest-Arabië. De soort leeft in groepen, soms van vele duizenden vogels, broedt in kolonies in acacia's en trekt rond op zoek naar zaad, waardoor ze het ene jaar talrijk en het andere jaar afwezig kan zijn.

Arabische goudmus (Passer euchlorus)
Foto: Jacky Judas — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een droog, mussenachtig tsjilp en een zacht getjirp, hoger en ijler dan bij de huismus; groepen houden een aanhoudend gekwetter en getsjilp aan, en een broedkolonie produceert een oorverdovend geroezemoes.

Luister: VluchtroepXC836324

Opname: Gregory Askew — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 13 cm, kleiner en compacter dan een huismus, met een korte, kegelvormige snavel. Het mannetje is helder citroengeel op kop, rug en onderdelen, zonder kastanjebruin; de vleugels en staart zijn zwartbruin met lichte randen en twee smalle witte vleugelstrepen. De snavel is in de broedtijd zwart en daarbuiten hoornkleurig roze. Het vrouwtje is veel valer: zandkleurig grijsbruin boven, bleek geelachtig wit onder, met een geelgroene waas op kop en borst, een bleke snavel en lichtbruine vleugels met lichte strepen. Jonge vogels lijken op het vrouwtje maar zijn nog valer.

Verwarrings­soorten

De Soedanese goudmus (Passer luteus), aan de Afrikaanse kant van de Rode Zee, is nauw verwant en wordt soms als dezelfde soort gezien; het mannetje heeft een kastanjebruine rug en schouders. Het vrouwtje lijkt op een vrouwtje huismus (Passer domesticus), maar is kleiner, geler en heeft een kortere, bleke snavel. Rüppells wever (Ploceus galbula) is ook geel, maar groter, met een langere, puntige snavel, een rood oog en bij het mannetje een kastanjebruin masker. Gele kanaries en girlitzen zijn gestreept en hebben een gele stuit.

Leefgebied

Droge acaciasavanne en doornstruweel van de kustvlakte en de lagere hellingen, tot ongeveer 1000 m, vaak bij akkers met sorghum en gierst, bij irrigatiekanalen en veedrinkplaatsen. Foerageert in grote, dichte groepen op de grond naar graszaad en graan, en drinkt geregeld. Nestelt in kolonies, met vele nesten dicht bijeen in één of enkele acacia's; het nest is een losse bal van grassprieten met een zij-ingang.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Zuidwest-Arabië: in Saoedi-Arabië in de Tihama en de lagere uitlopers van de Asir, van de omgeving van Jeddah zuidwaarts tot de grens met Jemen; in Jemen in de hele Tihama, de westelijke uitlopers en langs de zuidkust tot in de omgeving van Aden en Lahij. Elders in het gidsgebied hooguit uitzonderlijk. Buiten het gebied alleen in Djibouti en het noordwesten van Somalië.

  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Rijd na regen langs de Tihama-wegen tussen Jizan en Al Hudaydah en let op bewegende gele wolken boven de akkers en acacia's. Een kolonie is te herkennen aan een acacia vol grasnesten en het gekwetter eromheen; houd afstand, want de vogels laten bij verstoring makkelijk nesten in de steek.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort is plaatselijk zeer talrijk, maar door het nomadische gedrag schommelen de aantallen sterk. In sommige landbouwgebieden geldt ze als plaag in het graan en wordt ze bestreden.

Wetenschappelijke naam

Passer euchlorus | (Bonaparte, 1850)

Bonaparte beschreef de soort in 1850 als Auripasser euchlorus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Passer werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Passer is het Latijnse woord voor 'mus'. euchlorus is Grieks voor 'helder geelgroen', van eu 'goed' en khlōros 'groen, geelgroen'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Al Qunfudhah in Saoedi-Arabië.