Alle soorten › Steltloperachtigen › Grielen › Kaapse griel

Kaapse griel | Burhinus capensis

Spotted Thick-Knee | Alcaraván del Cabo

Een grote, dicht gevlekte griel van de Afrikaanse savannes, die in het gidsgebied alleen voorkomt in het zuidwesten van Arabië, van de Tihama tot Dhofar. Overdag ligt hij onzichtbaar in de schaduw van een acacia; pas bij het vallen van de avond wordt hij actief en luid.

Kaapse griel (Burhinus capensis)
Foto: Bernard DUPONT from FRANCE — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Vooral 's avonds en 's nachts een luide, klagende reeks fluittonen, ti-ti-ti-tie-tie-tieuw-tieuw, die aanzwelt en weer wegsterft; paren en buren antwoorden elkaar. Bij onrust een scherp kwie.

Luister: ZangXC1175732

Opname: Campbell Fleming — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Groot en hoogpotig, met een ronde kop, een groot geel oog en een korte, dikke snavel die geel is aan de basis en zwart aan de punt. De bovendelen zijn zandbruin en dicht bezet met zwarte en lichte vlekken en druppels, zodat de vogel er gespikkeld in plaats van gestreept uitziet; de borst is fijn gestreept, de buik wit. Anders dan bij de griel en de Senegalese griel ontbreekt een zwart-witte vleugelstreep op de gevouwen vleugel: de vleugeldekveren zijn even gevlekt als de rug. De gezichtstekening is zwakker, met een lichte wenkbrauw en wangstreep. In vlucht zwarte handpennen met kleine witte vlekken.

Verwarrings­soorten

De griel (Burhinus oedicnemus), die in de winter ook in Zuidwest-Arabië voorkomt, is gestreept in plaats van gevlekt en heeft een duidelijke zwart-wit-zwarte streep over de gevouwen vleugel. De Senegalese griel (Burhinus senegalensis) is kleiner, heeft een grijs vleugelpaneel en een langere, zwartere snavel, en komt alleen in Egypte voor. De grote griel (Esacus recurvirostris) is groter, ongevlekt grijsbruin en heeft een massieve, opgewipte snavel.

Leefgebied

Open, droog terrein met verspreide struiken en bomen: acaciasavanne, doornstruweel, de randen van wadi's, droge rivierbeddingen, akkers en braakland, meestal onder 1000 meter, plaatselijk tot 2000 meter op de hoogvlakten van Jemen. Komt ook dicht bij dorpen voor en foerageert 's nachts op wegen en open grond.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

In het gidsgebied alleen in het zuidwesten van Arabië. Saoedi-Arabië: een schaarse jaarvogel van de zuidelijke Tihama en de lage hellingen ten zuiden van Jeddah tot Jizan, met naar schatting zo'n honderd broedparen, onder meer bij het Malakimeer bij de Wadi Jizan-dam. Jemen: wijdverbreid in de Tihama, de uitlopers van het hoogland en de wadi's in het zuiden. Oman: in Dhofar, waar zich buiten de broedtijd groepen tot zo'n vijftig vogels verzamelen. Buiten het gebied verspreid over een groot deel van Afrika ten zuiden van de Sahara, van Senegal en Ethiopië tot Zuid-Afrika.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Rijd in de schemering langzaam over de landwegen door de acaciasavanne en akkers van de Tihama in Jemen of Saoedi-Arabië, of rond Salalah in Dhofar, en zoek met de koplampen naar de oplichtende ogen. Overdag loont het om onder grote acacia's in wadi's te kijken, waar vogels in de schaduw rusten.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd en in Afrika vrij algemeen. In Arabië is de populatie klein en plaatselijk; ze lijdt onder het verdwijnen van acaciasavanne door landbouw en bebouwing, overbegrazing en verkeer op landwegen 's nachts.

Wetenschappelijke naam

Burhinus capensis | (Lichtenstein, 1823)

Lichtenstein beschreef de soort in 1823 als Oedicnemus capensis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Burhinus werd in 1811 ingevoerd door Illiger. Burhinus is Grieks, van bous 'rund' en rhis 'neus', naar de zware, brede snavelbasis. capensis verwijst naar de Kaap de Goede Hoop, waar het eerste exemplaar vandaan kwam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kaap de Goede Hoop.