Alle soorten › Zangvogels › Leeuweriken › Kalanderleeuwerik

Kalanderleeuwerik | Melanocorypha calandra

Calandra Lark | Calandria común

De kalanderleeuwerik is de grootste en zwaarste leeuwerik van de graanvlakten rond de Middellandse Zee. In het voorjaar hangt hij hoog boven akkers en steppe met langzame, fladderende vleugelslagen en een eindeloze, krachtige zang. In het gebied broedt hij in de Maghreb en in de Levant tot in Irak; in de winter vormt hij troepen die rondzwerven over stoppelvelden en steppe.

Kalanderleeuwerik (Melanocorypha calandra)
Foto: Bouke ten Cate — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een lange, krachtige en gevarieerde stroom van rollende en schrille tonen, rijker en scherper dan die van de veldleeuwerik en vol imitaties van andere vogels; hij wordt gebracht in een hoge, cirkelende zangvlucht met trage vleugelslagen of vanaf een kluit of paal. De roep is een droog, rollend trrlit of een schorre kleetra.

Luister: ZangXC1154908

Opname: Esperanza Poveda — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

17–20 cm, een forse, gedrongen leeuwerik met een zware, geelachtig hoornkleurige snavel en een vrij korte staart. Bovendelen grijsbruin met donkere strepen, onderdelen wit met een geelbruin waas over de borst. Opvallend is de grote zwarte vlek aan weerszijden van de hals, die bij sommige vogels bijna tot een band samenkomt. Duidelijke witte wenkbrauwstreep. In vlucht zijn de zwartachtige ondervleugels, de brede witte achterrand van de armvleugel en de witte staartzijden kenmerkend; de vleugels lijken breed en de vlucht is wat logger dan bij andere leeuweriken. Seksen gelijk.

Verwarrings­soorten

De bergkalanderleeuwerik (Melanocorypha bimaculata) is iets kleiner, heeft een sterker getekende kop, grijsbruine ondervleugels, geen witte vleugelachterrand en witte staartpunten in plaats van witte staartzijden. De veldleeuwerik (Alauda arvensis) is kleiner en slanker, met een dunnere snavel en gestreepte borst zonder zwarte halsvlekken. De kortteenleeuwerik (Calandrella brachydactyla) is veel kleiner en heeft slechts een klein donker halsvlekje. De grauwe gors (Emberiza calandra) is in de verte soms verwarrend, maar heeft een gestreepte borst en geen witte vleugelrand.

Leefgebied

Open, vlakke tot glooiende landschappen met korte begroeiing: graanakkers, braak en weiland, kruidensteppe en grazige hoogvlakten, in de Levant ook op basaltplateaus. Mijdt bomen en volle woestijn. In de winter in troepen op stoppelvelden, braakland en steppe.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

In de Maghreb een wijdverbreide broedvogel van de graanvlakten en hoogvlakten van Noord- en Oost-Marokko via Noord-Algerije (de Tell en de Hoge Plateaus) tot Noord- en Midden-Tunesië, en in Noord-Libië (Tripolitanië en Cyrenaica). In de Levant broedt hij in Syrië, de Bekaa in Libanon, Noord- en West-Jordanië en in Israël vooral op de Golan, in Oost-Galilea, op de hellingen van de Gilboa en in Oost-Samaria; tot in de jaren 1980 ook in de noordelijke Negev, de Sjefela en de noordelijke valleien. Verder broedt hij in Noord- en Midden-Irak. In de winter trekken troepen naar het zuiden: in de noordelijke Negev, schaars in Noord-Egypte en de Sinaï, en in Koeweit en Noord-Saoedi-Arabië. Daarbuiten broedt hij van Zuid-Europa en Turkije via de Kaukasus en Iran tot Centraal-Azië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In Israël hoor je hem in maart–mei boven de grasvlakten van de Golan; in Marokko en Tunesië boven graanvelden op de hoogvlakten. In vlucht verraden de zwarte ondervleugels en de witte vleugelachterrand hem direct, ook in gemengde leeuweriktroepen in de winter.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Toch gaat de soort in grote delen van zijn verspreidingsgebied achteruit door intensivering van de landbouw, gebruik van bestrijdingsmiddelen, overbegrazing en bebossing. Op de Rode Lijst van Israël staat hij als bedreigd: verspreiding en aantal zijn er sinds de jaren 1980 sterk gekrompen.

Wetenschappelijke naam

Melanocorypha calandra | (Linnaeus, 1766)

Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Alauda calandra; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Melanocorypha werd in 1828 ingevoerd door Boie. Melanocorypha is Grieks, van melas 'zwart' en koruphos, bij klassieke schrijvers een niet meer thuis te brengen vogel, hier verward met korudos 'leeuwerik'. calandra gaat via het middeleeuws Latijn terug op het Griekse kalandros, de naam van deze leeuwerik. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Pyreneeën.