Alle soorten › Spechtachtigen › Spechten › Kleine bonte specht
Kleine bonte specht | Dryobates minor
Lesser Spotted Woodpecker | Pico menor
De kleinste specht van het gidsgebied, nauwelijks groter dan een mus. Hij leeft hier uitsluitend in de vochtige bossen van Noord-Algerije en Noordwest-Tunesië, als de eigen ondersoort ledouci, en is daar schaars en lastig te vinden: hij foerageert hoog in de kruin, op dunne takjes waar grotere spechten niet komen.
Geluid
Een hoge, zwakke, valkachtige reeks kie-kie-kie-kie, niet stijgend of dalend, vooral in het voorjaar; ook een zacht kik, zwakker dan dat van de grote bonte specht. De roffel is licht, ratelend en langer dan die van de grote bonte specht, vaak in twee delen.
Opname: Thomas Bergman — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
Mussengroot, met een korte, spitse snavel. Zwart-wit, zonder witte schoudervlekken, maar met een rug en vleugels die breed wit dwarsgebandeerd zijn. Het gezicht is vuilwit met een zwarte baardstreep die niet tot de snavel reikt. De onderdelen zijn vuilwit tot beige met fijne zwarte streepjes op de flanken; de onderstaart is wit, zonder rood. Het mannetje heeft een rode kruin met zwarte rand, het wijfje een vuilwitte tot bruinige voorkruin en zwarte achterkruin. De Noord-Afrikaanse vorm ledouci is onderaan wat bruiner en sterker gestreept dan Europese vogels.
Verwarringssoorten
De grote bonte specht (Dendrocopos major) is veel groter, met grote witte schoudervlekken, een zwarte rug en een rode onderstaart. Door zijn gedrag, rondscharrelend op dunne takjes in de kruin, kan hij aan een mees of een boomklever (Sitta europaea) doen denken; in Kabylië leeft hij in hetzelfde bos als de Algerijnse boomklever (Sitta ledanti).
Leefgebied
Vochtig loofbos en gemengd bos met veel oud en dood hout: kurkeiken- en zeeneikenbos (Quercus canariensis), elzen-, populieren- en essenbos langs beken en rivieren, en bos rond meren. Foerageert hoog in de kruin en op dunne, dode takken; hakt een nesthol in zacht, rottend hout. Van laagland tot in de bergen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
In het gidsgebied alleen de ondersoort ledouci, in het noorden van Algerije en Noordwest-Tunesië: in de vochtige bossen van Kabylië, het Edough-massief bij Annaba, de omgeving van El Kala en verspreid in de bosrijke Tell, en in Tunesië in de Kroumirie en de Mogods. In Marokko is hij niet als broedvogel vastgesteld, en hij ontbreekt in Libië, Egypte, de Levant, Irak en Arabië. Daarbuiten broedt hij van Groot-Brittannië en Spanje door Europa en Turkije, de Kaukasus en Noord-Iran tot Siberië, Korea en Japan.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Zoek in het vroege voorjaar, wanneer de bomen nog kaal zijn en hij roept en roffelt, in de kurkeiken- en elzenbossen rond Aïn Draham in de Tunesische Kroumirie of in het nationaal park El Kala in Algerije. Kijk naar de dunste takjes in de kruin en luister naar het hoge, valkachtige kie-kie-kie.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd, maar in grote delen van Europa achteruitgegaan. In Noord-Afrika schaars en weinig onderzocht; de geïsoleerde populatie is afhankelijk van vochtig loofbos met oude en dode bomen, dat door kap, bosbranden, overbegrazing en droogte afneemt.
Wetenschappelijke naam
Dryobates minor | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Picus minor; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Dryobates werd in 1826 ingevoerd door Boie. Dryobates is Grieks, van druos 'boom, bos' en batēs 'loper': de vogel die door het hout klimt. minor is Latijn voor 'kleiner', naar het formaat van deze kleinste Europese bonte specht. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.

