Alle soorten › Spechtachtigen › Spechten › Syrische bonte specht

Syrische bonte specht | Dendrocopos syriacus

Syrian Woodpecker | Pico sirio

De bonte specht van het Midden-Oosten, die hier de grote bonte specht vervangt. Hij leeft in de mediterrane zone van de Levant en in de dalen van Noord-Irak, en voelt zich thuis tussen mensen: in boomgaarden, olijfgaarden, parken, tuinen en langs bomenrijen in dorpen en steden.

Syrische bonte specht (Dendrocopos syriacus)
Foto: מינוזיג - MinoZig — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een zacht, wat gedempt kjoek of tsjuk, minder scherp dan het kik! van de grote bonte specht, bij opwinding uitlopend in een ratelend kwirrr. De roffel duurt langer dan die van de grote bonte specht en sterft aan het eind weg; vooral te horen van januari tot april.

Luister: RoepXC1172527

Opname: András Schmidt — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Zwart-wit, even groot als de grote bonte specht maar met een wat langere snavel en een opvallend open wit gezicht. De zwarte baardstreep loopt niet door naar de nek, zodat wang en halszijde één wit vlak vormen. Grote witte schoudervlekken, wit gebandeerde slagpennen en weinig of geen wit in de buitenste staartpennen. De onderdelen zijn vuilwit tot beige, de onderstaart bleekroze in plaats van scharlaken. Het mannetje heeft een rode nekvlek, het wijfje geen rood, jonge vogels een rood petje en vaak een rozige borstband.

Verwarrings­soorten

De grote bonte specht (Dendrocopos major) komt in het gidsgebied alleen in de Maghreb voor en overlapt dus niet; hij heeft een zwarte baardstreep die tot de nek doorloopt, een scharlakenrode onderstaart en meer wit in de staart. De kleine bonte specht (Dryobates minor) is veel kleiner, met een wit gebandeerde rug en zonder witte schoudervlekken. Jonge vogels met een rood petje kunnen aan de middelste bonte specht (Dendrocoptes medius) doen denken, een soort uit Turkije en Iran die in het gidsgebied niet is vastgesteld; die heeft een kleinere snavel en geen zwarte baardstreep naar de snavel.

Leefgebied

Halfopen, boomrijk cultuurland en bebouwing: boomgaarden met amandel, walnoot, moerbei en fruitbomen, olijfgaarden, tuinen, parken, begraafplaatsen en bomenrijen langs wegen, ook eucalyptus- en dennenaanplant en open eiken- en pistachebos. Mijdt gesloten bos. In Israël van zeeniveau tot de Hermon; in de bergen tot ongeveer 2.000 m.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Broedt in de mediterrane zone van de Levant: in Israël van Galilea en de Golan door de kustvlakte, de Sjefela en de bergen van Samaria en Judea zuidwaarts tot de noordrand van de Negev rond Beersjeba, en plaatselijk in de Jordaanvallei; in Libanon in de kuststrook, het Libanongebergte en de Bekaa; in West-Syrië van de kust en het Ansariyya-gebergte tot rond Damascus en Aleppo; en in Noordwest-Jordanië in het hoogland van Irbid, Ajloun en Amman. Verder in Noord- en Noordoost-Irak in de dalen van Koerdistan. Ontbreekt in Egypte, de Sinaï en op het Arabisch Schiereiland. Daarbuiten van Zuidoost-Europa, Turkije en de Kaukasus tot Iran.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In Israël is hij in tuinen en parken van Jeruzalem, de kibboetsen van Galilea en de olijfgaarden van de Sjefela vrij gewoon. Luister in het vroege voorjaar naar de lange, wegstervende roffel op een dode tak of een elektriciteitspaal en kijk dan naar de halszijde en de onderstaart.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. In de Levant plaatselijk afgenomen door het verdwijnen van traditionele boomgaarden en het gebruik van bestrijdingsmiddelen, maar hij past zich goed aan stadsparken en tuinen aan. In Irak en Syrië is weinig bekend over de huidige aantallen.

Wetenschappelijke naam

Dendrocopos syriacus | (Hemprich & Ehrenberg, 1833)

Hemprich & Ehrenberg beschreef de soort in 1833 als Picus syriacus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Dendrocopos werd in 1816 ingevoerd door Koch. Dendrocopos is Grieks, van dendron 'boom' en kopos 'het slaan'. syriacus is Latijn voor 'Syrisch'; het beschreven exemplaar kwam van de Libanon, destijds tot Syrië gerekend. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit het Libanongebergte.