Alle soorten › Steltloperachtigen › Vorkstaartplevieren › Kleine vorkstaartplevier

Kleine vorkstaartplevier | Glareola lactea

Small Pratincole | Canastera chica

Een kleine, bleekgrijze vorkstaartplevier van de rivieren van Zuid-Azië, die als een zwaluw in groepjes boven het water jaagt. In het gidsgebied is het een schaarse wintergast van de kust van Dhofar in Zuid-Oman, en daarbuiten een zeldzaamheid.

Kleine vorkstaartplevier (Glareola lactea)
Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een hoog, rollend prrip of tirrit, in groepen vaak een droog getjirp; zachter en hoger dan bij de grote vorkstaartplevieren.

Luister: VluchtroepXC1004716

Opname: David Darrell-Lambert — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Klein, nauwelijks groter dan een kleine plevier, met een korte, bijna rechte staart. Bovendelen licht zandgrijs, keel met een lichte okertint, buik en stuit wit; een smalle zwarte teugelstreep loopt van snavel naar oog. De snavel is zwart met een klein rood vlekje aan de basis, de poten zijn kort en donker. In vlucht valt een groot wit vlak op de armpennen op, met zwarte handpennen, een zwarte achterrand en zwarte ondervleugeldekveren; de witte staart heeft een zwarte eindband die in het midden het breedst is.

Verwarrings­soorten

De vorkstaartplevier (Glareola pratincola) en de steppevorkstaartplevier (Glareola nordmanni) zijn veel groter, bruiner, hebben een omlijnde roomkleurige keel en een diep gevorkte staart, en missen het witte armvlak. Door formaat en jachtgedrag kan hij aan een witvleugelstern (Chlidonias leucopterus) of zwarte stern (Chlidonias niger) in winterkleed doen denken, maar die hebben een langere snavel, een donkere kruinvlek en een grijze staart.

Leefgebied

Broedt op zand- en grindbanken in grote rivieren. In de winter in het gidsgebied vooral op de randen van kustlagunes (khawrs), op zoet- en brakwaterplassen, bij rioolwaterzuiveringen en op natte graslanden en golfbanen; jaagt in de schemering laag boven het water op vliegende insecten en rust overdag op kale oevers.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

In het gidsgebied vrijwel beperkt tot het oosten van Arabië. In Oman een schaarse maar bijna jaarlijkse wintergast in Dhofar, op de khawrs rond Salalah (East Khawr, Khawr Sawli, Khawr Taqah en Raysut), met groepjes van enkele tot ruim tien vogels; ook gemeld van Barr al Hikman, Shuwaymiyah en Al Buraimi. In de Emiraten een zeldzame wintergast, met een reeks gevallen rond Dubai (onder meer een vogel die van 2001 tot 2004 jaarlijks terugkeerde) en recent bij Al Ain. In Qatar (januari 2013) en Bahrein een dwaalgast. Waarnemingen vallen tussen oktober en maart. Daarbuiten broedt hij van Oost-Afghanistan en Pakistan door India en Sri Lanka tot Myanmar, Thailand en Indochina; de meeste vogels trekken alleen binnen dat gebied.

  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De khawrs van Salalah in november tot januari bieden de beste kans: zoek de kale oeverranden en zandbanken af naar groepjes kleine, bleke vogels die zich plat houden, en wacht op de schemering, als ze opvliegen en boven het water gaan jagen. Een vliegbeeld met het witte armvlak en de zwarte ondervleugel beslist direct.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd en in zijn broedgebied vrij algemeen, al lijden riviervogels in Zuid-Azië onder zandwinning, dammen en verstoring. Het toenemende aantal waarnemingen in Dhofar weerspiegelt vermoedelijk vooral meer vogelaars, maar mogelijk ook een kleine vaste overwinteringsgroep.

Wetenschappelijke naam

Glareola lactea | Temminck, 1820

Temminck beschreef de soort in 1820 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Glareola werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Glareola is een Latijns verkleinwoord van glarea 'grind', naar de kale grindige grond waarop vorkstaartplevieren broeden. lactea is Latijn voor 'melkwit', van lac 'melk'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Bengalen in India en Bangladesh.