Alle soorten › Steltloperachtigen › Jagers › Kleinste jager

Kleinste jager | Stercorarius longicaudus

Long-Tailed Jaeger | Págalo rabero

De kleinste en slankste jager, met bij adulten lange, zwiepende staartpennen. Hij trekt ver op zee en komt het gidsgebied vooral langs de Atlantische kust van Marokko en West-Sahara voorbij; in de Middellandse Zee, de Rode Zee en de Arabische wateren is hij een echte zeldzaamheid.

Kleinste jager (Stercorarius longicaudus)
Foto: Smudge 9000 from North Kent Coast, England — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Buiten het broedgebied zwijgzaam. Op de toendra klinkt een scherp, nasaal krèh-krèh-krèh in de baltsvlucht; in het gidsgebied laat hij zich niet horen.

Luister: VluchtroepXC1168603

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Klein en smal, met een korte dikke snavel, een lange spitse hand en een lichtgrijze mantel die contrasteert met de zwarte achterrand van de vleugel. Adulten hebben een nette zwarte kap, een geelwitte hals en een witte borst zonder borstband, die geleidelijk overgaat in een grijze buik; de twee middelste staartpennen zijn dun en buigzaam en steken tot zo'n twintig centimeter uit. Beslissend: slechts twee, soms drie witte schachten in de handpennen, zodat van boven nauwelijks een lichte vlek te zien is. Juvenielen zijn koud grijsbruin met scherpe zwart-witte bandering op boven- en onderstaartdekveren, vaak een lichte kop en een kort, stomp staartpuntje.

Verwarrings­soorten

De kleine jager (Stercorarius parasiticus) is forser en warmer bruin, met een duidelijke witte handpenvlek en kortere, stijve, spitse staartpennen. Juvenielen van de middelste jager (Stercorarius pomarinus) zijn veel zwaarder, met een brede arm en een dikke tweekleurige snavel. De vlucht kan op afstand aan die van een stern doen denken, maar de donkere ondervleugel en de jagende manier van vliegen sluiten sterns uit.

Leefgebied

Open oceaan, meestal ver uit de kust boven de rand van het continentaal plat; jaagt minder op andere zeevogels dan de kleine jager en vangt veel zelf. Komt alleen bij harde aanlandige wind of na stormen dichter onder de kust.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Marokko en West-Sahara: schaarse doortrekker voor de Atlantische kust, vooral in augustus – oktober en opnieuw in april – mei, meestal ver uit de kust; vanaf het land vooral na westerstormen te zien, onder meer bij Cap Spartel, Essaouira en Tarfaya. Algerije, Tunesië en Libië: zeldzaam. Israël: zeldzame gast, zowel aan de Middellandse Zeekust (onder meer een juveniel voor de haven van Jaffa in januari 2008) als in de Golf van Akaba bij Eilat. Egypte, Libanon en Syrië: zeer zeldzaam. Op het Arabisch Schiereiland zeer zeldzaam en niet jaarlijks: in de Golf van Oman tussen 2010 en 2016 tien waarnemingen voor de oostkust van de Emiraten, vooral in mei – augustus, en slechts een handvol in Oman; losse gevallen in Saoedi-Arabië en Koeweit. Broedt op de toendra rond de Noordpool en in het Scandinavische fjell; overwintert in de zuidelijke Atlantische Oceaan voor Zuid-Afrika en Zuid-Amerika.

  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Je kansen zijn het grootst op een pelagische tocht of veerboot langs de Atlantische kust van Marokko eind augustus of begin september, of bij een flinke westerstorm vanaf een hoog uitzichtpunt aan zee. Let op een kleine, grijze, sternachtige jager zonder witte vleugelflits.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd; de populatie volgt de lemmingcycli op de toendra en schommelt daardoor sterk van jaar tot jaar. Klimaatverandering in het Noordpoolgebied is op lange termijn de grootste onzekerheid. In het gidsgebied is hij te zeldzaam om specifieke bedreigingen te noemen.

Wetenschappelijke naam

Stercorarius longicaudus | Vieillot, 1819

Vieillot beschreef de soort in 1819 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Stercorarius werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Stercorarius is Latijn voor 'van de mest', van stercus 'mest': het voedsel dat opgejaagde zeevogels uitbraakten werd vroeger voor uitwerpselen aangezien. longicaudus is Latijn, van longus 'lang' en cauda 'staart', naar de lange middelste staartpennen van de volwassen vogel. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit noordelijk Europa.