Alle soorten › Zangvogels › Kwikstaarten en piepers › Langsnavelpieper
Langsnavelpieper | Anthus similis
Long-Billed Pipit | Bisbita piquilargo
De langsnavelpieper is een grote, egaal getekende pieper van stenige berghellingen. In het gidsgebied is hij een standvogel van de Levant, de bergen van het Arabisch Schiereiland en Socotra, waar telkens een eigen ondersoort leeft.
Geluid
De zang is een trage reeks korte, afgemeten strofen van twee of drie tonen, tsjrie… tsjoe-iet… tsjriep, met pauzes ertussen, vanaf een rotsblok of struik of in een korte zangvlucht. De roep is een musachtig tsjip of een zacht, tweelettergrepig tsjoe-wiep.
Opname: Mohannad Baghlaf — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
16–18 cm. Groot en langstaartig, met een lange, iets gebogen snavel en vrij korte, vleeskleurige poten. Van boven grijsbruin met vage strepen op de mantel, van onderen warm geelbruin met een zwakke, vlekkerige streping op de bovenborst. Een bleke wenkbrauwstreep, een donkere teugel en een smalle baardstreep. De middelste dekveren hebben donkere centra met brede bleke zomen. De buitenste staartveren zijn warm geelbruin, niet wit. Rondom de Levant leeft de vorm captus, op het Arabisch Schiereiland de warmere vorm arabicus, op Socotra de donkere vorm sokotrae; de vorm decaptus uit Iran overwintert in het oosten van Arabië.
Verwarringssoorten
De duinpieper (Anthus campestris) is bleker zandkleurig, met een duidelijker wenkbrauw, een opvallende donkere vleugelband en witachtige buitenste staartveren; jonge duinpiepers zijn sterker gestreept. De grote pieper (Anthus richardi) is langerpotig, met een lichte teugel, een veel langere achternagel en witte staartranden, en houdt van vochtige graslanden in plaats van rotshellingen. De Mongoolse pieper (Anthus godlewskii) is kleiner en duidelijker gestreept van boven.
Leefgebied
Stenige en rotsige berghellingen met verspreide struiken en graspollen, terrasakkers, wadi's in het gebergte en randen van jeneverbesbos, van ongeveer 200 tot boven 2500 m. In de winter ook in lager gelegen wadi's, steenwoestijn en akkerranden aan de voet van de bergen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Standvogel in Israël (Negev-hooglanden, de Judese woestijn, Golan en Galilea), Jordanië (de westrand van de Riftvallei en het zuiden rond Petra), Libanon en Syrië, en in de bergen van de zuidelijke Sinaï; verder in het Hejaz- en Asirgebergte van Saoedi-Arabië, in Jemen, in de bergen van Oman (Hajar en Dhofar) en in het grensgebergte van de Verenigde Arabische Emiraten, en op Socotra. In het noorden van Irak broedvogel in het gebergte; in de winter verspreid over lagere delen van Irak, Koeweit en de Golfstaten. Ontbreekt in Noordwest-Afrika. Daarbuiten over een groot deel van Afrika ten zuiden van de Sahara en van Turkije en Iran tot India en Myanmar.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Het best in het voorjaar op rotsige hellingen in de Negev, bij Petra of in de bergen van Oman, waar de vogel op een rotsblok staat te zingen en met zijn staart wipt. In de winter in de Verenigde Arabische Emiraten op Jebel Hafeet of in de wadi's van het Hajargebergte.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. De populaties in het gidsgebied lijken stabiel; overbeweiding en bebouwing van berghellingen zijn plaatselijk een bedreiging. De vorm sokotrae van Socotra komt nergens anders voor.
Wetenschappelijke naam
Anthus similis | (Jerdon, 1840)
Jerdon beschreef de soort in 1840 als Agrodoma similis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Anthus werd in 1805 ingevoerd door Bechstein. Anthus is het Latijnse woord voor een klein vogeltje van graslanden dat Plinius de Oudere noemt. similis is Latijn voor 'gelijkend'; op welke andere pieper de vogel zou lijken, wordt in de beschrijving niet gezegd. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Jalna in India.


