Alle soorten › Pelikaanachtigen › Ibissen en lepelaars › Lepelaar
Lepelaar | Platalea leucorodia
Eurasian Spoonbill | Espátula común
Een grote witte waadvogel met een lange, aan de punt verbrede lepelsnavel, die met heen en weer maaiende kop door het ondiepe water stapt. In het gidsgebied broedt een eigen ondersoort op de eilandjes en in de mangroven van de Rode Zee, en overwinteren vogels uit Europa en Azië langs de lagunes van Noord-Afrika en de Perzische Golf.
Geluid
Vrijwel stil. In de kolonie een laag gegrom en knorren en een droog klepperen met de snavel.
Opname: Sonothèque ADVL — CC0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Groot en geheel wit, met lange zwarte poten en een lange, platte zwarte snavel met een gele lepelvormige punt. In de broedtijd een lange, hangende witte nekkuif, een geelokerkleurige band over de borst en een kale gele keelvlek. In winterkleed zonder kuif en borstband. Jonge vogels hebben een vleeskleurige tot grijsroze snavel, lichtere poten en zwarte punten aan de handpennen, die in vlucht opvallen. Vliegt met gestrekte hals en poten, in afwisselend klappende en glijdende vlucht, vaak in rijen. De ondersoort archeri van de Rode Zee is kleiner en heeft een kortere kuif.
Verwarringssoorten
De Afrikaanse lepelaar (Platalea alba) heeft een kaal rood gezicht, rode poten en een grijze snavel met rode randen en is in het gebied een zeldzame dwaalgast. De grote zilverreiger (Ardea alba) en de kleine zilverreiger (Egretta garzetta) hebben een spitse snavel en vliegen met ingetrokken hals; de witte vorm van de westelijke rifreiger (Egretta gularis) is slanker met een gele of bruinige dolksnavel.
Leefgebied
Ondiep zout, brak en zoet water: kustlagunes, getijdenvlakten, mangroven, zoutpannen, riviermondingen, moerassen en visvijvers. Foerageert door met halfopen snavel zijwaarts door het water te maaien naar garnalen, kleine vissen en waterinsecten, vaak in groepjes. Broedt in kolonies op eilandjes, in mangroven en in rietmoerassen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
De ondersoort archeri broedt op eilandjes en in mangroven langs de Rode Zee in Egypte, Saoedi-Arabië en Jemen en blijft daar het hele jaar; vogels van dit type komen ook voor langs de kust van Oman. De nominaatvorm broedt in kleine aantallen in de moerassen van Zuid-Irak. Daarnaast doortrekker en wintergast uit Europa en Azië: langs de Atlantische kust van Marokko (Merja Zerga, Oualidia, Khnifiss en de baai van Dakhla), in Tunesië (Golf van Gabès), in Egypte (deltameren en Bardawil), in Israël, en langs de hele Perzische Golf van Koeweit tot de Emiraten en Oman. Landinwaarts vooral op doortrek, onder meer in de Jordaanvallei. Daarbuiten broedt hij van Nederland en Spanje tot Oost-Azië en India, en een eigen ondersoort op de Banc d'Arguin in Mauritanië; de West-Europese vogels overwinteren tot in West-Afrika.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In de winter staan langs de Golf van Gabès, op de Egyptische deltameren en in de lagunes van Koeweit en Abu Dhabi vaak groepen. In Marokko is Merja Zerga in de winter en de trektijd een goede plek, en kleurringen van Nederlandse en Spaanse vogels zijn er regelmatig af te lezen. Langs de Rode Zee, bijvoorbeeld in de mangroven bij Jizan, zijn de broedvogels van archeri jaarrond te zien.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd en in West-Europa na bescherming sterk toegenomen. In het gebied is de soort kwetsbaar door verlies en verstoring van wetlands, kustontwikkeling langs de Golf en de Rode Zee, het kappen van mangroven en het rapen van eieren in kolonies. De kleine broedpopulaties in Irak en aan de Rode Zee zijn slecht bekend.
Wetenschappelijke naam
Platalea leucorodia | Linnaeus, 1758
Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Platalea voerde hij in datzelfde werk in. Platalea is het Latijnse woord voor de lepelaar, teruggaand op het Griekse platus 'breed, plat', naar de snavel. leucorodia gaat terug op het Griekse leukerōdios 'lepelaar', gevormd uit leukos 'wit' en erōdios 'reiger'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.


