Alle soorten › Nachtzwaluwachtigen › Nachtzwaluwen › Moorse nachtzwaluw
Moorse nachtzwaluw | Caprimulgus ruficollis
Red-Necked Nightjar | Chotacabras cuellirrojo
De grootste nachtzwaluw van het gebied, een bleke, langstaartige soort met een roestbruine halskraag, die uitsluitend in het noordwesten van Afrika broedt. In de Maghreb is hij een gewone zomergast van open bos, struweel en argangaarden, waar zijn klokkende zang de zomernachten vult.
Geluid
Een mechanisch, eindeloos herhaald kloppen, kutok-kutok-kutok, als hout dat in de verte gehakt wordt; het gaat minutenlang door en wisselt in sterkte als de vogel zijn kop draait. Heel anders dan het aanhoudende snorren van de nachtzwaluw. Bij de balts klappen de vleugels hoorbaar boven de rug.
Opname: Pablo Guillemaud — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Groot, lang van vleugel en staart, zandkleurig tot lichtgrijs met fijne kriebeltekening. Kenmerkend zijn de warm roestbruine halskraag over nek en halszijden en de grote, scherp afgetekende witte keelvlek. Beide geslachten hebben witte vlekken op de drie buitenste handpennen en witte staarthoeken; bij het vrouwtje zijn ze wat kleiner en doffer. De Noord-Afrikaanse vogels (ondersoort desertorum) zijn bleker en grijzer dan die van Iberië. De vlucht is traag, verend en geluidloos.
Verwarringssoorten
De nachtzwaluw (Caprimulgus europaeus) is duidelijk kleiner en donkerder, mist de roestbruine kraag en de grote keelvlek, en alleen het mannetje heeft wit in vleugel en staart. De Egyptische nachtzwaluw (Caprimulgus aegyptius) van de Saharaoases is egaal zandkleurig zonder opvallende witte vlekken. In het donker is de zang het zekerste kenmerk.
Leefgebied
Open, droge bossen van kurkeik, steeneik, pijnboom en argan, struweel op zandgrond, kustduinen met bremstruiken, boomgaarden en olijfgaarden; vaak bij paden en open plekken waar hij op de grond zit. Komt in het Atlasgebied tot zo'n 1.500 m voor. Jaagt op grote nachtvlinders en kevers, ook rond lantaarns.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Broedt in Marokko verspreid ten noorden van de Sahara: op de Atlantische kustvlakte van Tanger tot het Sousdal, in de Rif, de uitlopers van de Midden-Atlas en het arganbos rond Agadir en Taroudant, zuidelijk tot de Anti-Atlas. In Algerije broedt hij in de Tell en op de Hoge Plateaus, in Tunesië in het noorden en het centrale bergland. Uit Libië (Tripolitanië) zijn er slechts weinig gegevens. Op trek verschijnt hij aan de rand van de Sahara en in de Westelijke Sahara. Daarbuiten broedt hij alleen nog op het Iberisch Schiereiland en overwintert hij in de westelijke Sahel en West-Afrika.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Het kurkeikenbos van de Maâmora bij Rabat en het arganbos rond Agadir en de Oued Massa zijn klassieke plekken. Rijd of loop op een windstille avond in juni langs bospaden: de vogels zitten op de weg en lichten op in de koplampen, en de zang klinkt vanaf een half uur na zonsondergang.
Staat van instandhouding
Gevoelig. De soort staat wereldwijd te boek als Near Threatened door een vermoede achteruitgang. In de Maghreb vormen verkeersslachtoffers op bospaden en wegen, het verlies van struweel en arganbos door begrazing, kap en uitbreiding van de landbouw, en het gebruik van insecticiden de belangrijkste bedreigingen.
Wetenschappelijke naam
Caprimulgus ruficollis | Temminck, 1820
Temminck beschreef de soort in 1820 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Caprimulgus werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Caprimulgus is Latijn, van capra 'geit' en mulgere 'melken', naar het oude volksgeloof dat nachtzwaluwen 's nachts geiten leegzogen. ruficollis is Latijn, van rufus 'rood' en collum 'hals', naar de roestrode halsband. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Algeciras in Spanje.


