Alle soorten › Nachtzwaluwachtigen › Nachtzwaluwen › Nubische nachtzwaluw
Nubische nachtzwaluw | Caprimulgus nubicus
Nubian Nightjar | Chotacabras nubio
Een kleine, warm getinte nachtzwaluw van de Afrikaanse doornsavanne, die in het gebied alleen voorkomt in de diepe slenk van de Dode Zee en de Arava, in de Tihama van Zuidwest-Arabië en op Socotra. In Israël en Jordanië is hij een van de zeldzaamste broedvogels.
Geluid
Geen ratel maar een herhaald, zacht en vol tweelettergrepig kow-wow ... kow-wow, met korte pauzes, vanaf de grond of uit een tamarisk; het draagt slechts een paar honderd meter. Bij opvliegen een zacht kwik.
Opname: Paul Coiffard — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Klein en compact, met een vrij korte staart, stompe vleugels en een ronde kop. Grijs met veel roodbruin, een warme roestkleurige nekband en grote gele tot roomkleurige druppelvlekken op schouders en vleugeldekveren. In vlucht vallen de grote witte handpenvlekken en de witte staarthoeken op, bij beide geslachten, al zijn ze bij het vrouwtje wat kleiner. De vlucht is kort, laag en fladderend.
Verwarringssoorten
De nachtzwaluw (Caprimulgus europaeus) is groter en langer van staart, zonder roestige nekband, en alleen het mannetje heeft wit in vleugel en staart. De Egyptische nachtzwaluw (Caprimulgus aegyptius) is groter en egaal zandkleurig met weinig wit. In Zuidwest-Arabië is de Effen nachtzwaluw (Caprimulgus inornatus) egaler bruin, zonder roestige nekband en zonder grote druppelvlekken.
Leefgebied
Zoutmoerassen met verspreide tamarisken, kale zout- en kleivlakten, zandige plekken met weinig begroeiing en acaciastruweel in de hete laaglanden. Rust overdag in de schaduw van een struik, vaak op droge, kale grond, en jaagt 's nachts laag boven open terrein.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
In Israël broedt hij met naar schatting 75–100 paren, het merendeel in het bekken van Sodom aan de zuidkant van de Dode Zee, verder in de noordelijke en zuidelijke Arava en aan de noordkant van de Dode Zee; tot begin jaren tachtig kwam hij noordelijk tot Bet She'an voor. Aan de Jordaanse kant broedt hij in de Ghor ten zuiden van de Dode Zee (onder meer bij Fifa en Ghor Safi). In Zuidwest-Arabië is hij standvogel in de Tihama van Saoedi-Arabië (Jizan) en Jemen, en op Socotra leeft de eigen ondersoort jonesi. Uit Zuidoost-Egypte en Oman zijn er enkele meldingen. Daarbuiten komt hij voor van Soedan en Eritrea tot Somalië en Noord-Kenia.
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Rijd op een windstille avond in maart of april langs de randen van de zoutmoerassen bij Neot HaKikar en in het bekken van Sodom en luister naar het zachte kow-wow; de vogels zitten vaak op de weg. Rijd langzaam: verkeer is hier een van de grote doodsoorzaken.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd, maar in Israël kwetsbaar: na een sterke achteruitgang in de jaren tachtig herstelde de populatie zich tot enkele tientallen paren. Bedreigingen zijn de omzetting van zoutmoerassen in landbouwgrond, insecticiden, verkeersslachtoffers en verstoring door terreinwagens. Over de Arabische populaties is weinig bekend.
Wetenschappelijke naam
Caprimulgus nubicus | Lichtenstein, 1823
Lichtenstein beschreef de soort in 1823 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Caprimulgus werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Caprimulgus is Latijn, van capra 'geit' en mulgere 'melken', naar het oude volksgeloof dat nachtzwaluwen 's nachts geiten leegzogen. nubicus betekent 'van Nubië', de landstreek langs de Nijl in het huidige Zuid-Egypte en Noord-Soedan. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Nubië.


