Alle soorten › Zangvogels › Prachtvinken › Muskaatvink
Muskaatvink | Lonchura punctulata
Scaly-Breasted Munia | Capuchino punteado
De muskaatvink is een gedrongen, donkerbruine astrild met een fijn geschubde borst, van huis uit een vogel van tropisch Azië. In het gidsgebied is hij niet inheems: de vogels die in parken en tuinen in de Golfstaten rondtrekken, gaan terug op ontsnapte kooivogels.
Geluid
Een zacht, klagend en licht neusachtig kie-tie of pie-tie, binnen het troepje voortdurend te horen; bij het opvliegen een scherper tsjit. De zang is zeer zacht: een reeks piepjes en klikjes die eindigt in een lang, dun gefluit.
Opname: Bo Shunqi 薄顺奇 — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
11–12 cm, gedrongen, met een zware, kegelvormige, blauwgrijze tot bijna zwarte snavel en een korte, spits toelopende staart. Kop, keel en bovenborst zijn effen chocoladebruin; rug en vleugels warm bruin. De witte onderzijde is op borst en flanken dicht bezet met donkere sikkelvormige randjes, zodat ze geschubd lijkt; de buik is vuilwit. Stuit en bovenstaartdekveren okergeel tot olijfgeel. Man en vrouw zijn gelijk. Jonge vogels zijn egaal lichtbruin boven en vaalbeige onder, zonder schubben en zonder donkere kop, maar met dezelfde zware donkere snavel.
Verwarringssoorten
De volwassen vogel is met geen andere soort in het gebied te verwarren. De jonge vogel lijkt op een jonge huismus (Passer domesticus), maar mist de wenkbrauwstreep en de gestreepte rug en heeft een veel zwaardere, donkere snavel. Het loodbekje (Euodice malabarica), waarmee hij vaak optrekt, is veel bleker, met een zilvergrijze snavel, een ongetekende witte onderzijde, een witte stuit en een lange spitse zwarte staart. De tijgervink (Amandava amandava) en andere astrilden hebben een rode snavel.
Leefgebied
In het gidsgebied vooral in stedelijk groen: parken met grasvelden, bevloeide gazons, tuinen, golfbanen, de randen van akkers en rietvelden bij water. Foerageert op de grond en in rijpe grasaren op zaden, vaak samen met loodbekjes en mussen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Van nature van India en Sri Lanka door Zuidoost-Azië en Zuid-China tot de Filipijnen en Indonesië; de soort komt in het gidsgebied van nature niet voor. Kleine verwilderde groepjes, die teruggaan op ontsnapte kooivogels, zijn vooral in de laatste twee decennia gemeld in Bahrein, Oost-Saoedi-Arabië, de Verenigde Arabische Emiraten, Qatar en Koeweit; of ze zich zonder aanvoer uit de handel in stand houden, is onzeker. Elders in het gebied alleen losse ontsnapte vogels. Daarbuiten op grote schaal ingeburgerd, onder meer op Hawaï, Puerto Rico, in Florida, Californië, Australië en het Iberisch Schiereiland.
- Jaarrond
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Kijk in de parken en op de bevloeide gazons van Manama, Dubai of Abu Dhabi naar troepjes kleine zaadeters in het gras; muskaatvinken zitten er vaak tussen loodbekjes. De donkere kop en de zware zwarte snavel vallen het eerst op.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd; in delen van Zuidoost-Azië wel teruggelopen door vangst voor de vogelhandel. In het gidsgebied een uitheemse soort die teruggaat op ontsnapte kooivogels; de aantallen zijn klein en de gevolgen voor inheemse zaadeters onbekend.
Wetenschappelijke naam
Lonchura punctulata | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Loxia punctulata; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Lonchura werd in 1832 ingevoerd door Sykes. Lonchura is Grieks, van lonkhē 'speerpunt' en oura 'staart', naar de spits toelopende staart. punctulata is modern Latijn voor 'fijn gestippeld', naar de schubtekening op de borst. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Calcutta in India.


