Alle soorten › Zangvogels › Prachtvinken › Tijgervink

Tijgervink | Amandava amandava

Red Avadavat | Bengalí rojo

De tijgervink is een piepkleine astrild met een koraalrode snavel; het mannetje is in broedkleed bloedrood met witte stippen. De soort komt uit tropisch Azië en is in het gidsgebied niet inheems: kleine populaties in Egypte en Bahrein gaan terug op ontsnapte en losgelaten kooivogels.

Tijgervink (Amandava amandava)
Foto: Sudipta Maulik — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een enkel, hoog en dun psiep, vaak in de vlucht; bij het foerageren een zacht, laag getjilp. De zang is een reeks van vijf tot acht lage, aarzelende, licht schetterende noten, gebracht vanaf een rietpluim.

Luister: ZangXC508653

Opname: Mathieu Waldeck — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

9–10 cm, klein en gedrongen, met een korte, afgeronde, vrijwel zwarte staart en een dikke koraalrode snavel in alle kleden. Het mannetje in broedkleed is diep karmijnrood op kop, borst, flanken en stuit, met een zwarte teugel, donkere vleugels en een zwartachtige buik; op vleugeldekveren en flanken staan talrijke kleine witte stippen. Buiten de broedtijd is het mannetje grijsbruin boven en licht beige onder, met een zwarte teugel, enkele witte stippen op de vleugel en een helderrode stuit boven de zwarte staart. Het vrouwtje ziet er het hele jaar zo uit. Jonge vogels zijn effen vaalbruin, met een donkere snavel en zonder stippen.

Verwarrings­soorten

Het mannetje in broedkleed is in het gebied onmiskenbaar. Het mannetje van de grenadierwever (Euplectes orix) is ook rood, maar veel groter, met een zwarte buik en kop zonder stippen en een zware zwarte snavel. Het vuurvinkje (Lagonosticta senegala), dat in het gebied alleen in de Sahara van Algerije voorkomt, mist de witte vleugelstippen en heeft een bruine staart met rode stuit en een gele oogring. Het sint-helenafazantje (Estrilda astrild), een mogelijke ontsnapte kooivogel, is fijn gebandeerd, heeft een rode streep door het oog en een lange spitse staart. De jonge tijgervink lijkt op een jonge muskaatvink (Lonchura punctulata), maar is kleiner en fijner gesnaveld.

Leefgebied

Riet- en lisdoddevelden, ruigte langs kanalen en irrigatiesloten, natte graslanden en de randen van rijst-, klaver- en graanvelden; ook tuinen en parken bij water. Leeft in groepjes die in het riet slapen en op de grond en in grasaren zaden zoeken.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Van nature van Pakistan en India door Zuidoost-Azië tot Indonesië; in het gidsgebied niet inheems. In Egypte plaatselijk gevestigd in de Nijldelta en rond Caïro, en in Bahrein een kleine gevestigde populatie, beide teruggaand op ontsnapte en losgelaten kooivogels. In het zuiden van Irak werd de soort al in de eerste helft van de twintigste eeuw gemeld; de huidige status daar is onduidelijk. Elders, onder meer in de Verenigde Arabische Emiraten, Saoedi-Arabië, Koeweit en Israël, losse ontsnapte vogels. Daarbuiten ingeburgerd in onder meer Spanje, Portugal, Italië, Japan, Hawaï en Puerto Rico.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek in de Nijldelta langs met riet begroeide kanalen en akkerranden naar groepjes kleine vogels die laag wegschieten en met een hoog psiep in het riet verdwijnen. Buiten de broedtijd is de rode stuit boven de korte zwarte staart het beste kenmerk.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd, maar in delen van Zuidoost-Azië afnemend door vangst voor de vogelhandel. In het gidsgebied een exoot, afkomstig van ontsnapte kooivogels en niet uit het gebied zelf; aangetoonde schade aan inheemse soorten is niet bekend.

Wetenschappelijke naam

Amandava amandava | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Fringilla amandava; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Amandava werd in 1836 ingevoerd door Blyth. Amandava gaat terug op Ahmedabad in Gujarat, de Indiase stad van waaruit deze vogels als kooivogel werden verhandeld. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Calcutta in India.