Alle soorten › Eendachtigen › Eenden, ganzen en zwanen › Nijlgans
Nijlgans | Alopochen aegyptiaca
Egyptian Goose | Ganso del Nilo
De nijlgans is een rechtopstaande, langpotige halfgans van de Afrikaanse rivieren, die in het gidsgebied van oudsher alleen in Egypte thuishoort. Langs de Nijl was hij al in de oudheid een vertrouwde vogel: hij staat talloze keren afgebeeld op Egyptische grafwanden en gold als heilig dier.
Geluid
Luidruchtig, vooral bij verstoring en in territoriumgeschillen. Het vrouwtje geeft een schel, toeterend gekwaak, honk-haa-haa-haa, het mannetje een hees, sissend geblaas, hhaa-hhaa. Paren roepen vaak in duet, met gestrekte hals en uitgespreide vleugels.
Opname: African Bioacoustics Community — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
Ongeveer 70 cm, zandkleurig grijsbruin met een donkerder, roodbruine rug en een opvallende kastanjebruine vlek rond het oog. Midden op de borst ligt een kleine donkerbruine vlek; de nek heeft een smalle roestbruine kraag. Snavel en lange poten zijn roze. In vlucht vallen de grote witte vleugeldekveren op, begrensd door zwarte handpennen en groenglanzende armpennen; aan de grond is van dat wit alleen een smalle witte streep op de gevouwen vleugel te zien. De seksen zijn gelijk, het mannetje is iets groter. Jonge vogels missen de oog- en de borstvlek en hebben een grijzige snavel.
Verwarringssoorten
De casarca (Tadorna ferruginea) heeft hetzelfde witte vleugelpatroon, maar is egaal oranjebruin met een lichte kop en zwarte snavel en poten, zonder oogvlek. De bergeend (Tadorna tadorna) is wit met een groenzwarte kop en een rode snavel. Jonge nijlganzen zonder oogvlek lijken op een vale casarca, maar hebben roze poten en een rechtopstaandere houding.
Leefgebied
Rivieroevers, eilandjes en zandbanken in de Nijl, irrigatiekanalen, stuwmeren en vijvers met open, grazige oevers. Graast op akkers, klaverland en gazons, ook in steden. Nestelt op de grond tussen vegetatie, in boomholten, op gebouwen of in oude nesten van andere grote vogels.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
In Egypte standvogel langs de hele Nijl, van het Nassermeer bij Aswan via de Nijlvallei tot de Delta, ook in de Fayoum. In Israël heeft zich sinds rond 2000 een verwilderde populatie gevestigd die snel is gegroeid en nu wijd verspreid is in het noorden en het midden van het land; verwilderde vogels broeden ook in de Verenigde Arabische Emiraten en worden elders, onder meer in Jordanië en Saoedi-Arabië, af en toe gezien. Daarbuiten over vrijwel heel Afrika ten zuiden van de Sahara, en als exoot gevestigd in West-Europa.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Vanuit een feloek of vanaf de kades in Luxor en Aswan zijn paren op de Nijlbanken en eilandjes gemakkelijk te zien, het hele jaar. In Israël volstaan de vijvers in stadsparken en de visvijvers in de Hula- en Beisanvallei. Let in vlucht op het grote witte vleugelvlak.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd en in Afrika algemeen. In Egypte stabiel langs de Nijl. De verwilderde populaties in Israël en de Golfstaten groeien; in Israël wordt de soort als invasief gezien omdat ze andere watervogels en holenbroeders van nestplaatsen verdrijft.
Wetenschappelijke naam
Alopochen aegyptiaca | (Linnaeus, 1766)
Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Anas aegyptiaca; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Alopochen werd in 1885 ingevoerd door Stejneger. Alopochen is Grieks, van alōpēx 'vos' en chēn 'gans': de vosgans, naar de roodbruine rug. aegyptiaca is Latijn voor 'Egyptisch', naar het land aan de Nijl waar de vogel algemeen is. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Egypte.


