Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen en sterns › Noordse stern

Noordse stern | Sterna paradisaea

Arctic Tern | Charrán ártico

De stern met de langste trekweg ter wereld, die tussen de Arctische broedgebieden en de Antarctische zee pendelt. Het gidsgebied raakt hij vooral langs de Atlantische kust: voor Marokko en de Westelijke Sahara trekken in voor- en najaar grote aantallen op zee voorbij, meestal ver uit de kust. In de Middellandse Zee en het Midden-Oosten is hij een zeldzaamheid.

Noordse stern (Sterna paradisaea)
Foto: Alpo Roikola — CC BY 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Hoger en korter dan de visdief: een scherp, stijgend krie-err en een snel pie-pie-pie. Op trek meestal stil.

Luister: VluchtroepXC1168680

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

Slank en kortpotig, met smalle vleugels en lange staartpennen die in rust voorbij de vleugelpunten steken. Zomerkleed: zwarte kap, egaal bloedrode snavel zonder zwarte punt, grijze onderdelen met een smalle witte wangstreep. Van boven is de vleugel egaal grijs zonder donkere wig; van onderen zijn alle handpennen doorschijnend, met een smalle, scherp begrensde zwarte achterrand. Najaars- en jonge vogels hebben een wit voorhoofd, zwarte snavel en een minder opvallende donkere voorvleugelstreep dan jonge visdieven, met witte armpennen.

Verwarrings­soorten

De visdief (Sterna hirundo) heeft een oranjerode snavel met zwarte punt, langere poten, een donkere wig in de buitenste handpennen en van onderen alleen de binnenste handpennen doorschijnend. Dougalls stern (Sterna dougallii) is witter, met een grotendeels donkere snavel en heel lange witte staartpennen. De Arabische stern (Sterna repressa) in het zuidoosten is donkerder grijs, met een grijze stuit en staart.

Leefgebied

Op trek vrijwel uitsluitend op open zee en langs de kust, vaak boven het continentaal plat waar opwellend water veel vis brengt; rust zelden op stranden en zandbanken. Komt slechts bij uitzondering op lagunes of zoutpannen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Regelmatig en soms talrijk als doortrekker op zee voor de Atlantische kust van Marokko en de Westelijke Sahara, in het voorjaar van april tot begin juni en in het najaar van augustus tot oktober; vanaf de kust, zoals bij Cap Rhir en Dakhla, meestal alleen in kleine aantallen te zien. In de Straat van Gibraltar en de westelijke Middellandse Zee schaars. Langs de kusten van Algerije, Tunesië, Libië en Egypte zeldzaam. In Israël een zeldzame doortrekker met enkele gevallen, vooral in het voorjaar bij Eilat en langs de Middellandse Zeekust. In Arabië een dwaalgast of zeer zeldzame doortrekker, met enkele gevallen uit Oman, de Emiraten en Koeweit. Daarbuiten broedt hij rond de hele Noordpool, zuidelijk tot Bretagne en Massachusetts, en overwintert in de zeeën rond Antarctica.

  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De beste kans is vanaf een uitstekende kaap aan de Marokkaanse Atlantische kust in mei of september, bij stevige westenwind, of tijdens een pelagische tocht voor Agadir of Dakhla. Vergelijk elke kleine grijze stern met de vele visdieven: de korte poten en de egaal doorschijnende hand zijn bij goed licht beslissend.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd, maar plaatselijk achteruit door voedseltekort rond de broedkolonies, samenhangend met klimaatverandering en overbevissing. In het gidsgebied speelt vooral bijvangst en de kwaliteit van de visgronden voor de West-Afrikaanse kust een rol.

Wetenschappelijke naam

Sterna paradisaea | Pontoppidan, 1763

Pontoppidan beschreef de soort in 1763 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Sterna werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Sterna gaat terug op het Oudengelse stearn, dat voorkomt in het gedicht The Seafarer; de Friezen gebruikten een verwant woord voor sterns. paradisaea is laat-Latijn voor 'van het paradijs', van paradisus 'paradijs'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Christiansø in Denemarken.