Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen en sterns › Visdief

Visdief | Sterna hirundo

Common Tern | Charrán común

De stern waarmee elke andere kleine stern vergeleken wordt. In het gidsgebied broedt hij verspreid op zoutmeren, lagunes en moerassen van Noord-Afrika tot Mesopotamië, en trekt hij in groten getale langs de Atlantische kust van Marokko, door de Nijlvallei en over de Golf. Aan de Arabische kusten zijn het vooral Aziatische trekvogels en wintergasten.

Visdief (Sterna hirundo)
Foto: MPF — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een doordringend, omlaag glijdend krie-èrr, bij opwinding een snel kik-kik-kik; boven de kolonie luid en aanhoudend.

Luister: VluchtroepXC1165549

Opname: Lionel FREDERIC — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Slank, met lange smalle vleugels en een diep gevorkte staart waarvan de pennen in rust ongeveer tot de vleugelpunt reiken. Zomerkleed: zwarte kap, oranjerode snavel met zwarte punt, rode poten van middelmatige lengte, lichtgrijze onderdelen. Van boven ontstaat in de loop van de zomer een donkere wig in de buitenste handpennen; van onderen zijn alleen de binnenste handpennen doorschijnend en heeft de hand een brede, vage donkere achterrand. In winterkleed wit voorhoofd, donkere snavel en een donkere voorvleugelstreep. De oostelijke trekvogels in Arabië (longipennis) hebben een vrijwel geheel zwarte snavel en donkerder poten.

Verwarrings­soorten

De Noordse stern (Sterna paradisaea) heeft een bloedrode snavel zonder zwarte punt, heel korte poten en een egaal doorschijnende hand met smalle, scherpe achterrand. De Arabische stern (Sterna repressa) is donkergrijs van onderen en heeft een grijze stuit en staart. Dougalls stern (Sterna dougallii) is witter met langere staartpennen. De witwangstern (Chlidonias hybrida) is kleiner en compacter met een korte, nauwelijks gevorkte staart en foerageert vooral boven zoet water.

Leefgebied

Kustlagunes, zoutpannen, zoutmeren, rivieren, grote moerassen en stuwmeren, en op trek ook langs de open kust. Broedt in kolonies op kale eilandjes en dijkjes in zoutpannen en lagunes, of op zandbanken in rivieren; foerageert biddend en met stootduiken op kleine vis.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Broedt in kleine aantallen en verspreid in Noord-Afrika: op de zoutmeren en sebkha's van Noordoost-Algerije, in de zoutpannen en lagunes van Tunesië (onder meer Sfax en Thyna) en plaatselijk aan de westkust van Libië; in Marokko slechts sporadisch. In het oosten broedt hij in Israël (zoutpannen van Atlit en Ma'agan Michael, en in het Hulagebied), in Syrië langs de Eufraat en in de moerassen van Zuid-Irak. Als doortrekker algemeen langs de Atlantische kust van Marokko en de Westelijke Sahara, langs de Middellandse Zee, in de Nijlvallei en bij Eilat. In Arabië een doortrekker en wintergast langs de kusten van de Golf, Oman en Jemen, in Koeweit vooral in het voorjaar; aan de kust van Oman overwinteren honderden vogels. Daarbuiten broedt hij in Europa, gematigd Azië en Noord-Amerika en overwintert langs de kusten van Afrika, Zuid-Azië en Zuid-Amerika.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In Israël broeden ze goed zichtbaar op de vlotten en eilandjes in de visvijvers en zoutpannen bij Ma'agan Michael. In mei en september trekken bij Eilat en langs de Marokkaanse Atlantische kust honderden vogels door. In de Golf en Oman loont het om groepen sterns op zandbanken na te lopen op winterkleed-visdieven met zwarte snavels tussen de Arabische sterns.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. In het gidsgebied is de broedpopulatie klein en versnipperd en afhankelijk van een beperkt aantal zoutpannen en lagunes, waar verstoring, waterbeheer, predatie en kustontwikkeling het broedsucces bepalen.

Wetenschappelijke naam

Sterna hirundo | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Sterna voerde hij in datzelfde werk in. Sterna gaat terug op het Oudengelse stearn, dat voorkomt in het gedicht The Seafarer; de Friezen gebruikten een verwant woord voor sterns. hirundo is Latijn voor 'zwaluw', naar de gevorkte staart en de lichte bouw die de stern met die vogel gemeen heeft. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.