Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Oorgier
Oorgier | Torgos tracheliotos
Lappet-Faced Vulture | Buitre orejudo
De oorgier is de machtigste gier van Arabië, met een enorme snavel en een kale, rozerode kop met lappen huid aan de zijkanten. De Arabische vorm negevensis, genoemd naar de Negev waar hij als broedvogel verdween, leeft in kleine aantallen in de steenwoestijnen en acaciavlakten van Saoedi-Arabië, Oman en Jemen.
Geluid
Vrijwel stil; bij het aas een korte blaf, sissen en grommen.
Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie beschikbaar.
Herkenning
98–115 cm, spanwijdte 255–290 cm. Donkerbruin met een kale, roze tot rode kop en hals met hangende huidplooien, en een grote, hoge snavel. Op de borst lange, lancetvormige bruine veren over wit dons; de dijen zijn bij de volwassen vogel wit. In vlucht zeer groot en breedvleugelig met een korte, iets wigvormige staart; van onderen vallen een smalle witte band langs de voorrand van de ondervleugel en de witte dijen op. De jonge vogel is egaal donkerbruin met een bleker roze kop, zonder wit op dijen en vleugel, en wordt in zes jaar volwassen.
Verwarringssoorten
Vooral te verwarren met de monniksgier (Aegypius monachus), die eveneens groot en donker is maar een bevederde kop met donkere halskraag heeft, geen witte dijen en geen witte voorrand onder de vleugel. Vale gier (Gyps fulvus) en Rüppells gier (Gyps rueppelli) hebben een lange, donzige hals, een lichtere, zandkleurige of geschubde ondervleugel en houden de vleugels in een ondiepe V.
Leefgebied
Vlakke steen- en grindwoestijn, zandvlakten met verspreide acacia's, droge wadi's en het doornstruweel van de Arabische vlakten, ook lavavelden. Nestelt solitair boven op een platte acacia, zelden op een rots. Volgt kudden kamelen en geiten en bezoekt vuilstorten en slachtplaatsen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
In Saoedi-Arabië verspreid in het centrale, westelijke en noordelijke binnenland, met de beste stand in beschermde gebieden als Mahazat as-Sayd en Harrat al-Harrah. In Oman vooral op de Jiddat al-Harasis en in Dhofar; in de Emiraten schaars, vooral in het westen van Abu Dhabi; in Jemen schaars in het binnenland. In Egypte een kleine relictstand in het zuidoosten (Gebel Elba, Wadi Allaqi). In Israël sinds eind jaren tachtig verdwenen als broedvogel en nu zeer zeldzaam; uit Jordanië en de Sahara van Noord-Afrika verdwenen. Daarbuiten in de Sahel en in Oost- en Zuidelijk Afrika.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
De beste kans is in Oman op de Jiddat al-Harasis en bij de vuilstorten van Dhofar, zoals rond Thumrait en Salalah, of in de Saoedische reservaten. Zoek op heldere ochtenden naar grote, donkere vogels boven op een acacia, en wacht tot ze met de thermiek opstijgen.
Staat van instandhouding
Bedreigd. Wereldwijd sterk achteruitgegaan door vergiftiging, vervolging, verstoring van nesten en voedselgebrek. De Arabische populatie telt naar schatting enkele honderden paren en is kwetsbaar voor vergif, elektrocutie, afschot en het verdwijnen van nomadische veeteelt.
Wetenschappelijke naam
Torgos tracheliotos | (Forster, 1796)
Forster beschreef de soort in 1796 als Vultur tracheliotus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Torgos werd in 1828 ingevoerd door Kaup. Torgos is een oud Grieks woord voor 'gier'. tracheliotos komt van het Griekse trachēlos, 'nek', en ous, ōtos, 'oor' — naar de huidlellen ('oren') aan de zijkant van de kale nek. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Groot-Namakwaland, Namibië.


