Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers › Oostelijke blonde tapuit

Oostelijke blonde tapuit | Oenanthe melanoleuca

Eastern Black-Eared Wheatear | Collalba rubia oriental

De oostelijke blonde tapuit is de blonde tapuit van de Levant: een slanke, langstaartige tapuit van stenige hellingen met garrigue en lage struiken. Hij vervangt de westelijke blonde tapuit ten oosten van Libië en trekt in groten getale door de Sinaï en Arabië naar Oost-Afrika.

Oostelijke blonde tapuit (Oenanthe melanoleuca)
Foto: shachar_alterman — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Geluid

De roep is een droog, schurend tsjek en een zacht fluitend djuu. De zang is een korte, krassende en snelle strofe met heldere fluittonen en imitaties, vanaf een rotsblok of in een korte zangvlucht.

Luister: ZangXC1134555

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

13,5–15,5 cm. Slank, met een vrij lange staart. Het mannetje in broedkleed heeft een witte tot zeer bleke, koel roomkleurige kruin, nek en mantel, zwarte vleugels en een zwart masker dat vaak smal over de snavelbasis doorloopt. Er zijn vogels met een witte keel en vogels met een zwarte keel; bij de zwartkelige vorm reikt het zwart breder en dieper, tot bijna aan de schouder. De onderzijde is wit met hooguit een zwak beige waas op de borst. De staart is grotendeels wit met een smalle, vaak onregelmatige zwarte eindband en een zwart middenveld. Het vrouwtje is grijsbruin tot zandbruin met donkere vleugels en vaak een vage donkere keel. In het najaar dekken brede zomen het zwart af en zijn de vogels warmer van tint.

Verwarrings­soorten

De westelijke blonde tapuit (Oenanthe hispanica) van de Maghreb is bij het mannetje warmer okergeel van rug en borst, en de zwarte keel is kleiner en niet tot de schouder doorgetrokken; vrouwtjes en najaarsvogels zijn buiten het broedgebied meestal niet op soort te brengen. De bonte tapuit (Oenanthe pleschanka) heeft als mannetje een zwarte rug die met de zwarte keel is verbonden; in Iran hybridiseren beide soorten. De cyprustapuit (Oenanthe cypriaca), een doortrekker in de Levant, is kleiner, heeft een zwarte rug, een donkere kruinzijde en een warmer beige borst. De tapuit (Oenanthe oenanthe) is grijzer van rug en heeft een bredere, regelmatige zwarte eindband.

Leefgebied

Droge, stenige hellingen en heuvels met garrigue, maquis en verspreide struiken, open eikenbos en jeneverbes, wijngaarden en terrassen, van zeeniveau tot ongeveer 2000 m. Op doortrek in allerlei open terrein, van halfwoestijn tot akkerranden en wadi's.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Broedt in Israël (vooral Galilea, de Golan en de Judese heuvels), Samaria en Judea, Libanon, West-Syrië, Noordwest-Jordanië en de bergen van Koerdistan in Noord-Irak. Op doortrek, maart – mei en augustus – oktober, talrijk in de Sinaï, de Negev en Eilat, en verder door Egypte (vooral oostelijk van de Nijl), Saoedi-Arabië, Jemen en de Golfstaten. Daarbuiten broedt hij van Italië en de Balkan door Turkije en de Kaukasus tot Iran en Turkmenistan, en overwintert hij in de Sahel van Tsjaad en Soedan tot Ethiopië en Eritrea.

  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In april – mei zingen de mannetjes op de stenige hellingen van de Golan en Galilea en in de bergen van Libanon. In de trektijd zijn de wadi's rond Eilat de beste plek om veel vogels naast elkaar te zien, maar vrouwtjes blijven daar vaak ondetermineerbaar.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. In het gidsgebied plaatselijk achteruitgegaan door intensivering van de landbouw en bebossing van open hellingen. De afsplitsing van de westelijke soort is gebaseerd op genetisch onderzoek; de grens tussen beide ligt in het centrale Middellandse Zeegebied.

Wetenschappelijke naam

Oenanthe melanoleuca | (Güldenstädt, 1775) (GBIF: Oenanthe hispanica)

Güldenstädt beschreef de soort in 1775 als Muscicapa melanoleuca; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Oenanthe werd in 1816 ingevoerd door Vieillot. Oenanthe gebruikte Aristoteles voor een vogel die niet meer thuis te brengen is; het woord komt van het Griekse oinos, oinoē 'wijn, wijnstok' en anthos 'bloem, bloei'. melanoleuca is Grieks, van melas 'zwart' en leukos 'wit', naar het contrasterende kleed van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Tbilisi in Georgië.