Alle soorten › Trapachtigen › Trappen › Oostelijke kraagtrap

Oostelijke kraagtrap | Chlamydotis macqueenii

MacQueen's Bustard | Hubara asiática

De trap van de Arabische woestijnen en de Levant, al eeuwenlang de geliefdste prooi van de valkeniers op het Arabisch Schiereiland. Wilde broedvogels zijn schaars geworden; wat je in de winter ziet, zijn deels trekvogels uit Centraal-Azië en deels in gevangenschap gekweekte en uitgezette vogels.

Oostelijke kraagtrap (Chlamydotis macqueenii)
Foto: Kudaibergen Amirekul — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Vrijwel zwijgzaam. Een baltsende man laat hooguit een laag, dof brommen horen dat alleen van dichtbij te horen is; bij opvliegen soms een zacht, schor kraa.

Luister: RoepXC1086261

Opname: David Darrell-Lambert — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Middelgrote, hoogpotige trap met een lange hals en een korte, brede romp. Bovendelen bleek zandkleurig met fijne donkere golfjes en pijlpunten, onderdelen wit. Langs de zijkant van de grijze hals hangt een band van losse, verlengde zwarte veren die naar onderen toe breder wordt; op de kruin een korte kuif van witte veren met zwarte punten. In balts slaat de man de halsveren over de kop en draaft hij als een witte bol rond. In vlucht een groot wit vlak aan de basis van de zwarte handpennen, de hals gestrekt en trage, soepele slagen.

Verwarrings­soorten

De westelijke kraagtrap (Chlamydotis undulata), ten westen van de Nijl, is donkerder en warmer bruin, heeft een overwegend zwarte kuif en een kortere halsband; in het veld scheidt vooral de verspreiding de twee. De Arabische trap (Ardeotis arabs) en de grote trap (Otis tarda) zijn veel groter en missen de zwarte halsband. Een vliegende kraagtrap kan door het witte vleugelvlak op afstand aan een grote roofvogel doen denken, maar de gestrekte hals en de rechte, lage vlucht verraden hem.

Leefgebied

Vlakke tot licht golvende steen- en grindwoestijn en halfwoestijn met verspreide lage struiken, kruidensteppe en zandvlakten met spaarzame begroeiing; in de winter ook braakliggende akkers aan de woestijnrand. Mijdt rotsige bergen en dicht struweel. Leeft verscholen en drukt zich bij gevaar plat tegen de grond.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Broedt in kleine aantallen in de Negev en de noordelijke Arava in Israël, de Sinaï, de oostelijke woestijn van Jordanië, de Syrische Badia en de westelijke woestijn van Irak; in Saoedi-Arabië is hij in beschermde gebieden als Mahazat as-Sayd en Harrat al-Harrah opnieuw uitgezet. Als wintergast verspreid over het Arabisch Schiereiland, van Irak en Koeweit via de Saoedische binnenlanden tot de Golfstaten, Oman en Jemen. In Saoedi-Arabië, de Verenigde Arabische Emiraten en elders worden jaarlijks grote aantallen gekweekte vogels losgelaten. Buiten het gebied broedt hij in Iran, Afghanistan, Pakistan en Centraal-Azië, van Kazachstan tot West-China en Mongolië; overwintert zuidelijk tot Pakistan en Noordwest-India.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De meest betrouwbare plek is de westelijke Negev in Israël, rond Nizzana, vroeg in de ochtend van februari tot april, wanneer de mannen baltsen. Speur de vlakten vanaf de weg af met een telescoop: een stilstaande kraagtrap is in de zandkleurige vlakte bijna onzichtbaar, maar een baltsende man is een witte stip die zich voortbeweegt.

Staat van instandhouding

Kwetsbaar. Overbejaging door valkeniers, illegale vangst voor de valkenhandel en het verlies van woestijnsteppe door overbegrazing en landbouw hebben de soort in grote delen van zijn verspreidingsgebied doen afnemen. Grootschalige kweek- en uitzetprogramma's in Saoedi-Arabië, de Emiraten en Centraal-Azië houden de aantallen op peil, maar maken het lastig te zeggen hoeveel wilde vogels er nog zijn.

Wetenschappelijke naam

Chlamydotis macqueenii | (Gray, 1832)

Gray beschreef de soort in 1832 als Otis Macqueenii; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Chlamydotis werd in 1839 ingevoerd door Lesson. Chlamydotis is Grieks, van khlamus 'ruitermantel met verzwaarde punten' en otis 'trap'. macqueenii eert generaal Thomas MacQueen (1792–1840), officier in het Bengaalse leger van de Britse Oost-Indische Compagnie, die het eerste exemplaar aan het British Museum schonk. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Himalaya.