Alle soorten › Duifachtigen › Duiven › Palmtortel
Palmtortel | Spilopelia senegalensis
Laughing Dove | Tórtola senegalesa
De duif van de dorpspleinen, oases en hotelpalmen: in grote delen van het gidsgebied de algemeenste en tamste tortel. Klein, warm gekleurd en zonder halsband, en dankzij zijn zachte, lachende gekoer vaak eerder gehoord dan gezien.
Geluid
Een zacht, opgewekt en snel gekoer van vijf tot zeven tonen die eerst stijgen en dan wegzakken, oe-oe-ROE-roe-oe, dat als een ingehouden lach klinkt. Bij het opvliegen klappert hij luid met de vleugels.
Opname: African Bioacoustics Community — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
Kleine, langstaartige duif met een wijnroze kop en borst en een rossig bruine rug. Op de voorhals een karakteristiek borstschild van zwarte vlekjes op koperkleurige grond; geen zwarte nekband. De vleugel toont een blauwgrijs paneel tussen de bruine rug en de donkere handpennen. De lange staart heeft witte hoeken die bij opvliegen opvallen. Juvenielen zijn doffer en missen het gevlekte borstschild.
Verwarringssoorten
De turkse tortel (Streptopelia decaocto) en de izabeltortel (Streptopelia roseogrisea) zijn bleker, zandkleuriger en hebben een zwarte nekband. De zomertortel (Streptopelia turtur) heeft zwart-wit gestreepte halsvlekken en sterk geschubde, oranjebruine vleugeldekveren. De maskerduif (Oena capensis) is kleiner, met een zeer lange, spitse staart en roodbruine handpennen in de vlucht.
Leefgebied
Dorpen, steden, tuinen, palmentuinen en oases, irrigatielandbouw en acaciawadi's, overal waar water en zaden binnen bereik liggen. Diep in de woestijn alleen bij nederzettingen en drinkplaatsen. Foerageert op de grond, vaak tussen mensen en vee.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Algemeen jaarvogel in de Nijlvallei, de Nijldelta en de Egyptische oases, in heel Israël, Samaria en Judea, Jordanië, Libanon, Syrië en Irak, en op het hele Arabisch schiereiland, van Koeweit en de Golfstaten tot Oman en Jemen. In de Maghreb sterk uitgebreid: in Marokko vooral in steden en oases van het zuiden en het binnenland, in Algerije en Tunesië in de noordelijke steden en de Saharaoases, in Libië langs de kust en in de Fezzan. Daarbuiten in bijna heel Afrika ten zuiden van de Sahara, en via Turkije en Centraal-Azië tot India.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Wie een palmtortel van dichtbij wil zien, hoeft alleen in een oasetuin of op een terras te gaan zitten. Let in een groep op het gevlekte borstschild: het onderscheidt hem in één oogopslag van de bleke tortels met nekband.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd en in het gidsgebied talrijk en nog altijd uitbreidend, vooral in de Maghreb, waar hij de groei van steden en irrigatielandbouw volgt. Wordt plaatselijk gevangen, maar dat heeft geen merkbare invloed op de aantallen.
Wetenschappelijke naam
Spilopelia senegalensis | (Linnaeus, 1766)
Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Columba senegalensis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Spilopelia werd in 1873 ingevoerd door Sundevall. Spilopelia is Grieks, van spilos 'vlek' en peleia 'duif', naar de gespikkelde halsvlek. senegalensis betekent 'uit Senegal', het land waar het eerst beschreven exemplaar vandaan kwam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Senegal.


