Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers › Roodborst
Roodborst | Erithacus rubecula
European Robin | Petirrojo europeo
De roodborst is de bekende ronde zangvogel met het oranjerode gezicht en de oranjerode borst. In het gidsgebied broedt hij alleen in de bossen van het noorden van de Maghreb; in de winter komen grote aantallen Europese vogels naar Noord-Afrika, de Levant en Irak, waar hij dan in elke tuin en olijfgaard te vinden is.
Geluid
De zang is een heldere, weemoedige reeks parelende fluittonen en trillers, wisselend van snelheid en toonhoogte; ook in de winter zingen beide seksen om een voedselterritorium te verdedigen. Roepen zijn een hard, tikkend tik of tik-ik-ik en een dun tsiie.
Opname: João Ferreira Tomás — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
12,5–14 cm. Rond en grootkoppig, met een groot donker oog. Gezicht, keel en borst oranjerood, aan de zijkant omzoomd door blauwgrijs; bovendelen olijfbruin, buik vuilwit, flanken bruinig. Smalle lichte vleugelstreep op de grote dekveren, vooral bij jonge vogels. De seksen zijn gelijk. Jonge vogels zijn bruin met dichte okergele vlekjes en zonder rode borst; ze verruien in de nazomer. Hupt over de grond, staat even stil met hangende vleugels en wipt met de staart. De Noord-Afrikaanse broedvogels (witherbyi) zijn iets donkerder en dieper rood op de borst.
Verwarringssoorten
Het vrouwtje of de jonge vogel van de perzische roodborst (Irania gutturalis) is groter en grijzer, met een oranje zweem op de flanken maar zonder oranje borst. Een man kleine vliegenvanger (Ficedula parva) heeft een kleinere oranje keelvlek, een grijs gezicht en witte vlekken aan de staartbasis. Jonge roodborsten kunnen op een jonge nachtegaal (Luscinia megarhynchos) lijken, maar die heeft een rossige staart.
Leefgebied
In de broedtijd vochtig loof- en gemengd bos met ondergroei, cederbos en eikenbos in de Atlas en de Rif, en struikrijke dalen. In de winter elk gebied met struiken of bomen: maquis, olijfgaarden, citrusgaarden, parken, tuinen en kustduinen, in Egypte en Irak ook tuinen en akkerranden langs rivieren. Eet insecten, wormen en in de winter ook bessen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Broedt als standvogel in Marokko (Rif, Middel- en Hoge Atlas, ook in de Atlantische kustbossen), in het noorden van Algerije en in het noordwesten van Tunesië; plaatselijk in de bergen van Libanon en Syrië. In de winter talrijk in het hele noorden van de Maghreb en in Libië (Cyrenaica), schaarser tot in de oases van de noordelijke Sahara, in Noord-Egypte en de Nijldelta, in Israël, Jordanië, Libanon, Syrië en Irak; in het noorden van Saoedi-Arabië en in Koeweit schaars, verder zuidelijk in Arabië zeldzaam. Daarbuiten broedt hij door vrijwel heel Europa en West-Azië tot West-Siberië en Iran, en op de Canarische Eilanden en de Azoren.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In de winter in elke tuin of olijfgaard in Marokko, Tunesië of Israël; het tikkende roepje verraadt hem. In mei en juni zingt hij in de cederbossen rond Ifrane en Azrou in de Middel-Atlas.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd en zeer talrijk. In delen van het Midden-Oosten en Noord-Afrika worden in de winter nog roodborsten gevangen met lijmstokken en netten.
Wetenschappelijke naam
Erithacus rubecula | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Motacilla Rubecula; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Erithacus werd in 1800 ingevoerd door Cuvier, GLCFD. Erithacus is Grieks: erithakos was bij de klassieke schrijvers de naam van een vogel die men tegenwoordig doorgaans met de roodborst vereenzelvigt. rubecula is een Latijnse verkleinvorm bij ruber 'rood', naar de oranjerode borst. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.


