Alle soorten › Zangvogels › Vinkachtigen › Roodvoorhoofdkanarie
Roodvoorhoofdkanarie | Serinus pusillus
Red-Fronted Serin | Verdecillo frentirrojo
Een klein, donker kanarietje van het hooggebergte, met een vuurrode vlek op het voorhoofd. In het gidsgebied bereikt hij de zuidwestrand van zijn verspreidingsgebied: op de Hermon en in het Koerdische bergland van Noord-Irak.
Geluid
De zang is een snel, vloeiend en kabbelend gekwetter met trillers, zachter en minder glazig dan dat van de Europese kanarie. De roep is een rollend drrit of een hoog, kwetterend tirrrilit, vaak in koor in de vlucht.
Opname: Frantz Barrault — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Klein en compact, met een kort, puntig snaveltje en een tamelijk lange, gevorkte staart. Volwassen vogels hebben een roetzwarte kop, keel en bovenborst met een felle, scharlakenrode vlek op het voorhoofd; de rest van de onderdelen is goudgeel tot oranjegeel met donkere strepen op de flanken. De rug is bruin met zwarte strepen, de stuit oranjegeel, en de vleugels tonen oranjegele randen en twee lichte vleugelstreepjes. De seksen zijn nagenoeg gelijk. Jonge vogels missen het zwart en rood en hebben een warm kaneelbruine kop en een gestreept lijf.
Verwarringssoorten
De Europese kanarie (Serinus serinus) heeft een gele kop en borst en geen zwart of rood. Jonge vogels met hun kaneelkleurige kop kunnen op een jonge Syrische kanarie (Serinus syriacus) lijken, die bleker en egaler is en de oranje tint mist. Een putter (Carduelis carduelis) heeft het rood rond de hele snavelbasis en een brede gouden vleugelband.
Leefgebied
Open berghellingen boven de boomgrens of met verspreide jeneverbessen en dwergstruiken, rotsige alpenweiden en puinhellingen, meestal boven 1800 m. Foerageert op de grond en op zaadhoofden van kruiden, vaak bij smeltwater en bronnetjes. In de winter lager, op droge hellingen en bij dorpen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
In het gebied als broedvogel op de Hermon (aan de grens van Israël, Syrië en Libanon), waarschijnlijk ook elders in het Anti-Libanongebergte, en in het hooggebergte van Iraaks Koerdistan. In de winter zeldzaam lager in Noord-Israël; elders in het gebied zeer zeldzame dwaalgast. Daarbuiten van Turkije en de Kaukasus via Iran en Centraal-Azië tot de Himalaya.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
De hoge hellingen van de Hermon boven het skigebied zijn in mei en juni de plek; let op groepjes die laag tussen de rotsen en kussenplanten foerageren en bij het opvliegen hun oranje stuit tonen.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. In het gidsgebied een zeldzame broedvogel met een kleine, plaatselijke populatie op de Hermon; begrazing en recreatie in het hooggebergte kunnen hier een rol spelen.
Wetenschappelijke naam
Serinus pusillus | (Pallas, 1811)
Pallas beschreef de soort in 1811 als Passer pusillus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Serinus werd in 1816 ingevoerd door Koch. Serinus is nieuwlatijn voor 'kanariegeel'. pusillus is Latijn voor 'heel klein'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kaukasus en Kaspische Zee.

