Alle soorten › Zangvogels › Vinkachtigen › Roodvoorhoofdkanarie

Roodvoorhoofdkanarie | Serinus pusillus

Red-Fronted Serin | Verdecillo frentirrojo

Een klein, donker kanarietje van het hooggebergte, met een vuurrode vlek op het voorhoofd. In het gidsgebied bereikt hij de zuidwestrand van zijn verspreidingsgebied: op de Hermon en in het Koerdische bergland van Noord-Irak.

Roodvoorhoofdkanarie (Serinus pusillus)
Foto: Imran Shah from Islamabad, Pakistan — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een snel, vloeiend en kabbelend gekwetter met trillers, zachter en minder glazig dan dat van de Europese kanarie. De roep is een rollend drrit of een hoog, kwetterend tirrrilit, vaak in koor in de vlucht.

Luister: VluchtroepXC1153837

Opname: Frantz Barrault — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Klein en compact, met een kort, puntig snaveltje en een tamelijk lange, gevorkte staart. Volwassen vogels hebben een roetzwarte kop, keel en bovenborst met een felle, scharlakenrode vlek op het voorhoofd; de rest van de onderdelen is goudgeel tot oranjegeel met donkere strepen op de flanken. De rug is bruin met zwarte strepen, de stuit oranjegeel, en de vleugels tonen oranjegele randen en twee lichte vleugelstreepjes. De seksen zijn nagenoeg gelijk. Jonge vogels missen het zwart en rood en hebben een warm kaneelbruine kop en een gestreept lijf.

Verwarrings­soorten

De Europese kanarie (Serinus serinus) heeft een gele kop en borst en geen zwart of rood. Jonge vogels met hun kaneelkleurige kop kunnen op een jonge Syrische kanarie (Serinus syriacus) lijken, die bleker en egaler is en de oranje tint mist. Een putter (Carduelis carduelis) heeft het rood rond de hele snavelbasis en een brede gouden vleugelband.

Leefgebied

Open berghellingen boven de boomgrens of met verspreide jeneverbessen en dwergstruiken, rotsige alpenweiden en puinhellingen, meestal boven 1800 m. Foerageert op de grond en op zaadhoofden van kruiden, vaak bij smeltwater en bronnetjes. In de winter lager, op droge hellingen en bij dorpen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

In het gebied als broedvogel op de Hermon (aan de grens van Israël, Syrië en Libanon), waarschijnlijk ook elders in het Anti-Libanongebergte, en in het hooggebergte van Iraaks Koerdistan. In de winter zeldzaam lager in Noord-Israël; elders in het gebied zeer zeldzame dwaalgast. Daarbuiten van Turkije en de Kaukasus via Iran en Centraal-Azië tot de Himalaya.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De hoge hellingen van de Hermon boven het skigebied zijn in mei en juni de plek; let op groepjes die laag tussen de rotsen en kussenplanten foerageren en bij het opvliegen hun oranje stuit tonen.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. In het gidsgebied een zeldzame broedvogel met een kleine, plaatselijke populatie op de Hermon; begrazing en recreatie in het hooggebergte kunnen hier een rol spelen.

Wetenschappelijke naam

Serinus pusillus | (Pallas, 1811)

Pallas beschreef de soort in 1811 als Passer pusillus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Serinus werd in 1816 ingevoerd door Koch. Serinus is nieuwlatijn voor 'kanariegeel'. pusillus is Latijn voor 'heel klein'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kaukasus en Kaspische Zee.