Alle soorten › Eendachtigen › Eenden, ganzen en zwanen › Rosse fluiteend
Rosse fluiteend | Dendrocygna bicolor
Fulvous Whistling Duck | Suirirí bicolor
Een warm okerbruine fluiteend met lange poten en een witte U op de stuit, die als een van de weinige eenden op vier continenten voorkomt. In Noord-Afrika en het Midden-Oosten verschijnt hij slechts bij hoge uitzondering, als zwerver uit de Sahel, Oost-Afrika of het Indisch subcontinent.
Geluid
Een dunne, piepende, tweedelige fluittoon, tie-wieoe, zachter en minder helder dan het driedelige fluiten van de witwangfluiteend; vaak in vlucht en ’s nachts te horen.
Opname: José María Loaiza B. — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
45–53 cm. Kop, hals en onderzijde rijk okerbruin tot oranjebruin, met een smalle zwartachtige streep over de achterhals en een lichte, fijn gestreepte vlek op de zijhals. Rug donkerbruin met roestbruine randen, wat een geschubd patroon geeft; langs de flanken lopen lange roomwitte veren als een lichte streep. Snavel en poten blauwgrijs. In vlucht donkere vleugels en een opvallende witte U-vormige band op de stuit tegen de zwarte staart; de poten steken voorbij de staart uit. Seksen gelijk; jonge vogels doffer met minder duidelijke flankstrepen.
Verwarringssoorten
De Indische fluiteend (Dendrocygna javanica) is kleiner, met een donkerder bruine kruin, roodbruine bovenvleugeldekveren en een kastanjebruine in plaats van witte stuit. De witwangfluiteend (Dendrocygna viduata) heeft een wit gezicht, een zwarte buik en gebandeerde flanken. Vrouwtjes van de casarca (Tadorna ferruginea) zijn ook oranjebruin, maar korterpotig en hebben in vlucht grote witte vleugelvlakken.
Leefgebied
Zoete moerassen met drijvende planten, ondiepe meren met rietkragen, rijstvelden en geïrrigeerde akkers. Foerageert grotendeels ’s nachts op zaden van waterplanten en rijst, vaak grondelend of al zwemmend; overdag rust hij in dichte groepen in de vegetatie. Dwaalgasten in het gebied zijn op stuwmeren, oaseplassen en waterzuiveringsvijvers gezien.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
In het gebied een dwaalgast met losse gevallen in Marokko, Saoedi-Arabië, Jemen en Oman. Daarbuiten in Afrika ten zuiden van de Sahara (van de binnendelta van de Niger en het Tsjaadmeer tot Oost- en zuidelijk Afrika en Madagaskar), op het Indisch subcontinent en in Amerika van het zuiden van de Verenigde Staten tot Argentinië. Zwerft met de waterstand over grote afstanden.
Hoe en wanneer kijken
Gezien de zeldzaamheid gaat het om toevalstreffers; de grootste kans ligt in het zuidwesten van Arabië en het zuiden van Oman, op zoet water dicht bij de kust, en in Marokko op de grote merja’s. Let in vlucht op de witte stuit en het lichte flankstreepje. Vogels zonder schuwheid of met ringen kunnen uit gevangenschap komen.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd; over het grote areaal talrijk, al gaat de soort plaatselijk achteruit door drooglegging en vergiftiging in rijstvelden. In het gebied slechts een zeldzame dwaalgast zonder vaste populatie.
Wetenschappelijke naam
Dendrocygna bicolor | (Vieillot, 1816)
Vieillot beschreef de soort in 1816 als Anas bicolor; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Dendrocygna werd in 1837 ingevoerd door Swainson. Dendrocygna komt van het Griekse dendron, 'boom', en het Latijnse cygnus, 'zwaan' — 'boomzwaan', omdat sommige fluiteenden in bomen rusten of broeden. bicolor is Latijn voor 'tweekleurig', naar het contrast tussen het roodbruine lichaam en de donkere rug. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Paraguay.


