Alle soorten › Zangvogels › Zwaluwen › Rotszwaluw

Rotszwaluw | Ptyonoprogne rupestris

Eurasian Crag-Martin | Avión roquero

De rotszwaluw is een forse, bruingrijze zwaluw van bergwanden en kloven, die in het gidsgebied broedt in de Atlas en de bergen van de Levant. In de winter zakken veel vogels af naar lagere, warmere kloven en wadi’s, tot in de Sinaï, de Negev en West-Arabië, waar ze naast de kleinere vale rotszwaluw jagen.

Rotszwaluw (Ptyonoprogne rupestris)
Foto: Père Igor — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Meestal stil; een kort, droog tsjrrt of prrit, en bij het nest een zacht, schurend gekwetter.

Luister: VluchtroepXC1184014

Opname: Thierry THOMAS — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

13–15 cm. Breed gebouwd, met een brede vleugelbasis, een dikke borst en een korte, recht afgesneden staart. Bovendelen dof asbruin, onderdelen vuilwit tot beige, met een fijn gespikkelde, vaalbruine keel die geleidelijk in de borst overloopt; geen borstband. De ondervleugeldekveren en de onderstaartdekveren zijn donker, zodat de vogel van onderen tweekleurig oogt met een zwaar, donker achterlijf. In de gespreide staart een rij opvallende witte vlekken bij de top. De vlucht is traag en zwaar, met lange glijstukken langs de rotswand. Geslachten gelijk; jonge vogels hebben bleke randjes op de bovendelen.

Verwarrings­soorten

Vale rotszwaluw (Ptyonoprogne obsoleta) is kleiner en fijner, bleker zandbruin, met een ongespikkelde lichte keel en vooral lichte ondervleugeldekveren en onderstaartdekveren: van onderen egaal bleek in plaats van tweekleurig. Oeverzwaluw (Riparia riparia) is kleiner, met een scherpe bruine borstband en een gevorkte staart zonder vlekken. Huiszwaluw (Delichon urbicum) is blauwzwart met een witte stuit. Gierzwaluw (Apus apus) en vale gierzwaluw (Apus pallidus) zijn groter, sikkelvormig en zonder wit in de staart.

Leefgebied

Broedt aan steile rotswanden, in kloven en grotingangen in de bergen, in de Atlas tot boven 2000 m, plaatselijk ook aan bruggen, dammen en gebouwen; het open, komvormige modderen nest zit onder een overhang. In de winter in lagere kloven, wadi’s, steile kustrotsen en rond rotsachtige plaatsen bij water, vaak samen met vale rotszwaluwen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Broedt in Marokko in de Rif, de Middel-, Hoge en Anti-Atlas, in Noord-Algerije in de Tell-Atlas en de Aurès, in Noord-Tunesië, en in de Levant in de bergen van Libanon en Syrië, het noorden van Israël (Hermon, Golan, Galilea; schaars) en in de bergen van Koerdistan in Noord-Irak. De Maghrebse vogels zijn grotendeels standvogel en zakken in de winter af naar lagere hellingen. In de winter verder in de Jordaanvallei en rond de Dode Zee, de Negev en de bergen bij Eilat, de Sinaï, de Oostelijke Woestijn van Egypte en de Nijlvallei, Jordanië (Petra, Wadi Rum) en West-Saoedi-Arabië; schaars tot zeldzaam in het Hajargebergte van Oman en de Emiraten. Daarbuiten broedt hij in Zuid-Europa, Turkije, de Kaukasus en via Centraal-Azië tot China.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de winter in de kloven rond de Dode Zee, bij Ein Gedi en in Wadi Rum, waar rotszwaluwen en vale rotszwaluwen naast elkaar jagen: een goede gelegenheid om de donkere oksels en onderstaart van de rotszwaluw te vergelijken met de egaal bleke onderkant van zijn kleine verwant. In de zomer in de kloven van de Hoge Atlas, zoals de Todra- en de Dadèskloof.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd en in het gidsgebied stabiel. Profiteert plaatselijk van bruggen en dammen als nestplaats.

Wetenschappelijke naam

Ptyonoprogne rupestris | (Scopoli, 1769)

Scopoli beschreef de soort in 1769 als Hirundo rupestris; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Ptyonoprogne werd in 1850 ingevoerd door Reichenbach. Ptyonoprogne is Grieks, van ptuon 'wan, waaier', naar de vorm van de gespreide staart, en Prokne, het meisje uit de mythe dat in een zwaluw veranderde. rupestris is Latijn voor 'van de rotsen', van rupes 'rots', naar de rotswanden waar de vogel nestelt. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Tirol.