Alle soorten › Koekoeksvogels › Koekoeken › Senegalese spoorkoekoek

Senegalese spoorkoekoek | Centropus senegalensis

Senegal Coucal | Cucal senegalés

Een grote, logge koekoek met kastanjebruine vleugels en een lange zwarte staart, die in het gidsgebied alleen in de Nijldelta en de Nijlvallei leeft. Hij is daar een vertrouwd beeld in rietkragen, tuinen en boomgaarden, waar hij half lopend, half klauterend door dichte begroeiing zijn weg zoekt. Anders dan de meeste koekoeken broedt hij zelf en is hij geen broedparasiet.

Senegalese spoorkoekoek (Centropus senegalensis)
Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een borrelende reeks holle tonen, hoe-hoe-hoe-hoe-hoe, die eerst daalt en versnelt en dan weer stijgt en vertraagt, als water dat uit een fles klokt. Vaak in duet, vooral 's ochtends vroeg, in de avond en in de warmste maanden. Bij onrust een schor tsjak of een sissend geluid.

Luister: DuetXC1087740

Opname: Julien Birard — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

Kruin, achterhals en kopzijden zijn glanzend zwart, zonder wenkbrauwstreep. Mantel roodbruin, vleugels helder kastanjebruin met donkere toppen. Onderzijde wit tot roomkleurig. Stuit en bovenstaartdekveren zijn zwartachtig en ongebandeerd; de lange, brede staart is zwart met een groene glans. Zware zwarte snavel, rood oog, grijze poten met een lange, rechte achterteenklauw. Jonge vogels hebben fijn gebandeerde bovendelen, een lichte wenkbrauwstreep en een donker oog. Vliegt zwaar en kort, met snelle slagen afgewisseld met glijden, en duikt dan snel weer de begroeiing in.

Verwarrings­soorten

In het gidsgebied valt hij met geen andere spoorkoekoek samen: de wenkbrauwspoorkoekoek (Centropus superciliosus) leeft alleen in het zuidwesten van Arabië en heeft een witte wenkbrauwstreep, een fijn wit gestreepte kop en nek en een gebandeerde stuit. Een jonge Senegalese spoorkoekoek met lichte wenkbrauw lijkt sterk op die soort, maar komt in Egypte niet met haar samen. Door de kastanjebruine vleugels en het rode oog is hij verder met niets te verwarren.

Leefgebied

Dichte, vochtige begroeiing in de vruchtbare Nijlstreek: rietkragen langs kanalen en irrigatiesloten, ruigte aan de oevers van de Nijl en de deltameren, boomgaarden, mango- en citrusplantages, rijstvelden met struiken en tuinen in dorpen en stadsranden. Zoekt zijn voedsel, grote insecten, hagedissen, kikkers, slakken en eieren of jongen van andere vogels, vooral op de grond en in lage struiken.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

In het gidsgebied alleen in Egypte, als standvogel in de hele Nijldelta en langs de Nijl stroomopwaarts tot Aswan en het Nassermeer; ook in de Fajoem en in de oases dicht bij de Nijl. In Caïro en Alexandrië in parken en tuinen. Daarbuiten van Senegal en Gambia door de Sahel en Oost-Afrika tot Angola en het noorden van zuidelijk Afrika; de Egyptische vogels behoren tot de ondersoort aegyptius.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Langs de kanalen en akkerranden van de delta, bijvoorbeeld rond Abbassa of bij de botanische tuin van Aswan, is hij het makkelijkst te vinden vroeg in de ochtend, als hij zich bovenop een struik of rietpluim zit te warmen in de zon. Luister naar het klokkende duet: daarna zit hij vaak nog even zichtbaar voordat hij wegsluipt.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd en in Egypte nog algemeen. Plaatselijk heeft hij te lijden van het verdwijnen van ruigte en rietkragen door intensivering van de landbouw en de groei van steden in de delta, maar hij past zich goed aan tuinen en boomgaarden aan.

Wetenschappelijke naam

Centropus senegalensis | (Linnaeus, 1766)

Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Cuculus senegalensis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Centropus werd in 1811 ingevoerd door Illiger. Centropus komt van het Griekse kentron, 'spoor, prikkel', en pous, 'voet' — naar de lange, rechte achternagel, de 'spoor' waaraan spoorkoekoeken hun naam danken. senegalensis betekent 'uit Senegal', waar het eerste exemplaar vandaan kwam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Senegal.