Alle soorten › Koekoeksvogels › Koekoeken › Wenkbrauwspoorkoekoek

Wenkbrauwspoorkoekoek | Centropus superciliosus

White-Browed Coucal | Cucal cejiblanco

Een grote spoorkoekoek met een witte wenkbrauwstreep en kastanjebruine vleugels, die in het gidsgebied alleen in het zuidwesten van Arabië voorkomt. In de groene wadi's en de akkerranden van Jemen en het uiterste zuidwesten van Saoedi-Arabië is zijn klokkende roep een van de typische geluiden van de vroege ochtend.

Wenkbrauwspoorkoekoek (Centropus superciliosus)
Foto: Derek Keats from Johannesburg, South Africa — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een lange, borrelende reeks holle tonen, hoe-hoe-hoe-hoe-hoe-hoe, die eerst daalt en versnelt en dan weer stijgt en vertraagt, als water dat uit een fles wordt geschonken; vaak in duet, vooral bij zonsopgang, in de schemer en na regen. Bij onrust een schor, sissend tsjek.

Luister: DuetXC976482

Opname: Jonathan Onongo — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Donkerbruine tot zwartachtige kruin, een brede witte wenkbrauwstreep en een fijn wit gestreepte achterhals, kopzijde en mantel. Rug roodbruin, vleugels kastanjebruin, onderzijde room tot wit, de borst soms met fijne lichte schachtstreepjes. Stuit en bovenstaartdekveren zijn fijn zwart en roomkleurig gebandeerd; de lange, brede staart is zwart met een groenige glans. Rood oog, zware zwarte snavel. Jonge vogels hebben een gebandeerde rug, een vagere wenkbrauw en een donker oog. Vliegt kort en zwaar, met de staart breed uitgewaaierd.

Verwarrings­soorten

In het gidsgebied is hij met geen andere spoorkoekoek te verwarren: de Senegalese spoorkoekoek (Centropus senegalensis) komt alleen in de Nijlstreek van Egypte voor en mist de witte wenkbrauw en de gebandeerde stuit. In een snelle vlucht tussen struiken kan hij aan een grote babbelaar of aan een indische koel (Eudynamys scolopaceus) doen denken, maar de kastanjebruine vleugels zijn altijd kenmerkend.

Leefgebied

Dichte struikbegroeiing en ruigte langs wadi's met permanent of seizoensgebonden water, oeverbos met tamarisk en vijgen, rietkragen, irrigatieakkers met hagen, bananen- en mangoplantages en dichte tuinen. In Jemen van de kustvlakte van de Tihama tot zeker 2000 m hoog in de bergen. Zoekt zijn voedsel, vooral grote insecten, hagedissen en kleine gewervelden, op de grond en laag in struiken.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

In het gidsgebied in Jemen, in de Tihama en de westelijke en zuidelijke bergwadi's tot in het binnenland van Hadramaut, en in het zuidwesten van Saoedi-Arabië, in de Tihama en de voet van het Asirgebergte rond Jizan en Abha. Niet op Socotra. Daarbuiten van Eritrea en Ethiopië door Oost-Afrika tot zuidelijk Afrika; de Arabische vogels behoren tot de nominaatvorm superciliosus.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Hij laat zich het best zien in de eerste uren na zonsopgang, als hij met uitgespreide vleugels in een boomtop of op een haag zit op te warmen. Loop langs begroeide wadi's in de Tihama of de bergen ten westen van Taiz en Ibb, en luister naar het klokkende duet; daarna volgt vaak een korte vlucht laag over de struiken.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd en in de geschikte delen van Jemen en Zuidwest-Saoedi-Arabië redelijk algemeen. Hij is gevoelig voor het kappen van oeverbegroeiing en het droogvallen van wadi's door overmatige grondwateronttrekking, maar profiteert plaatselijk van irrigatielandbouw met hagen.

Wetenschappelijke naam

Centropus superciliosus | Hemprich & Ehrenberg, 1829

Hemprich & Ehrenberg beschreef de soort in 1829 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Centropus werd in 1811 ingevoerd door Illiger. Centropus komt van het Griekse kentron, 'spoor, prikkel', en pous, 'voet' — naar de lange, rechte achternagel, de 'spoor' waaraan spoorkoekoeken hun naam danken. superciliosus is Latijn voor 'met wenkbrauwen' — naar de brede witte wenkbrauwstreep. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Arabië en Ethiopië.