Alle soorten › Zangvogels › Leeuweriken › Strandleeuwerik

Strandleeuwerik | Eremophila alpestris

Horned Lark | Alondra cornuda

De strandleeuwerik is wereldwijd een van de meest verbreide leeuweriken, maar in dit gebied een echte bergvogel. Hij broedt alleen op de kale toppen van de Hoge Atlas en de hoogste bergen van de Levant, ver boven de boomgrens, waar hij tussen sneeuwresten en kussenplanten naar insecten en zaden zoekt.

Strandleeuwerik (Eremophila alpestris)
Foto: Stephan Sprinz — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een hoog, tinkelend en kwetterend versje, vaak herhaald, gebracht vanaf een steen of in een hoge, cirkelende zangvlucht. De roep is een fijn, hoog tsie-ie of tsie-tsjoe.

Luister: ZangXC1180923

Opname: Meena Haribal — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

14–17 cm, langgerekt, met vrij lange vleugels en staart. Bovendelen roze-bruin met fijne strepen, onderdelen wit. Het gezicht is wit met een zwarte teugel- en wangvlek en een zwarte borstband; bij vogels uit de Levant loopt het zwarte wangmasker door tot de borstband. Het mannetje heeft een zwarte band over de voorkruin met twee korte zwarte hoorntjes, die in de broedtijd het best zichtbaar zijn. Het vrouwtje is doffer, met minder zwart en kleinere hoorntjes. In vlucht donkere staart met witte zijkanten. De vogels van de Atlas (atlas) en de Levant (penicillata) hebben een wit, geen geel gezicht zoals de noordelijke vormen.

Verwarrings­soorten

Temmincks strandleeuwerik (Eremophila bilopha) is kleiner en bleker, met effen roze-zandkleurige bovendelen en een zwarte wangvlek die los staat van de borstvlek; hij leeft in de laaggelegen woestijn. Andere leeuweriken in het hooggebergte, zoals de veldleeuwerik (Alauda arvensis) en de bergkalanderleeuwerik (Melanocorypha bimaculata), missen het zwart-witte gezichtsmasker.

Leefgebied

Kale, stenige bergruggen, alpiene graslanden en vlaktes met kussenplanten boven de boomgrens, in de Hoge Atlas vanaf ongeveer 2300 m tot de toppen, op de Hermon vanaf 1900 m. In de winter ook lager op kale hellingen en hoogvlakten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

In Marokko broedvogel in de Hoge Atlas en plaatselijk op de hoogste delen van de Midden-Atlas. In de Levant broedvogel op de Hermon, in het Libanongebergte en de Anti-Libanon en in de hoogste bergen van Syrië, en in de bergen van Noord-Irak. In de winter zakken vogels naar lagere hellingen en hoogvlakten; daarbuiten zeer zeldzaam. Buiten het gebied verbreid over Europa, Azië en Noord-Amerika, met geïsoleerde populaties in de Balkan, Turkije, de Kaukasus en Centraal-Azië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In Marokko is Oukaïmeden in de Hoge Atlas, een uur rijden van Marrakech, de bekende plek: in mei en juni lopen de vogels rond de skipistes en parkeerplaatsen. In Israël zoek je hem in de zomer op de hoogste delen van de Hermon.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. In Israël is de soort als Kwetsbaar beoordeeld; op het Israëlische deel van de Hermon broeden naar schatting 50 paren (telling 2013). Als soort van de bergtoppen is hij gevoelig voor klimaatopwarming en voor verstoring door skigebieden en begrazing.

Wetenschappelijke naam

Eremophila alpestris | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Alauda alpestris; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Eremophila werd in 1828 ingevoerd door Boie. Eremophila is Grieks, van erēmos 'woestijn' en phileō 'houden van': de woestijnminnende. alpestris is Latijn voor 'van het hooggebergte', bij Alpes, de Alpen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de kust van South Carolina.