Alle soorten › Zangvogels › Leeuweriken › Temmincks strandleeuwerik

Temmincks strandleeuwerik | Eremophila bilopha

Temminck's Lark | Alondra sahariana

Temmincks strandleeuwerik is een slanke, kleine woestijnleeuwerik met een zwart-wit gezichtsmasker en twee spitse zwarte hoorntjes. Hij is bijna geheel beperkt tot Noord-Afrika en het Midden-Oosten en daarmee een van de kernsoorten van de gids. Op de kale grindvlakten van de Sahara en de Syrische woestijn loopt hij snel tussen de stenen door en drukt hij zich bij gevaar plat tegen de grond.

Temmincks strandleeuwerik (Eremophila bilopha)
Foto: El Golli Mohamed — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is kort en kwetterend, een reeks hoge, wat droge frasen, gebracht vanaf de grond, een steen of in een lage zangvlucht. De roep is een zacht tsjie-rup of een fijn tsiep.

Luister: ZangXC892449

Opname: Sven Normant — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

14–15 cm, slank en vrij langstaartig. Bovendelen vrij effen roze-zandkleurig, onderdelen wit. Het gezicht is wit met een zwarte streep van de snavelbasis door het oog die naar beneden over de wang buigt, en een zwarte borstvlek die door wit van het wangmasker is gescheiden. Het mannetje draagt in de broedtijd twee lange zwarte veertjes als hoorntjes boven het oog. Het vrouwtje is doffer met kleinere hoorntjes. Jonge vogels missen de zwarte tekening en zijn zandkleurig met lichte vlekjes. In vlucht donkere staart met zandkleurige middenveren.

Verwarrings­soorten

De strandleeuwerik (Eremophila alpestris) is groter, met grijzer bruine, gestreepte bovendelen en een zwart wangmasker dat bij vogels uit de Levant met de borstband verbonden is; hij leeft in het hooggebergte, niet in de woestijn. De kortteenleeuwerik (Calandrella brachydactyla) en de woestijnleeuwerik (Ammomanes deserti) missen elke zwarte gezichtstekening. Jonge vogels kunnen op jonge kortteenleeuweriken lijken, maar hebben een langere staart en de roze toon van de soort.

Leefgebied

Kale, vlakke steen- en grindwoestijn (hamada en reg) met verspreide lage struikjes, ook zanderige vlakten met grind en de randen van halfwoestijn en alfa-steppe. Mijdt duinen en rotsachtige bergen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

In Noord-Afrika in Marokko ten oosten en zuiden van de Atlas en in de West-Sahara, in de noordelijke Algerijnse Sahara, Zuid-Tunesië en grote delen van Libië, en in Egypte in de westelijke woestijn, langs de noordkust en in de Sinaï. In Israël een schaarse en afnemende broedvogel van de Negev (rond Nitsana en Shivta, de machtesjim, de Paranvlakte en de wadi's van de zuidelijke Negev); in de Arava broedt hij sinds de jaren 1990 niet meer. Verder in de oostelijke woestijn van Jordanië, de Syrische woestijn, West-Irak en Noord-Saoedi-Arabië, met zwervende vogels in de winter tot Koeweit. Buiten het gebied alleen in aangrenzende delen van Mauritanië en Mali.

  • Jaarrond
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In Marokko is het Tagdilt-plateau bij Boumalne-Dadès de klassieke plek, net als de vlakten rond Errachidia en Merzouga; rij langzaam over de pistes en kijk naar vogels die tussen de stenen wegrennen. In Israël zoek je hem in maart–april op de vlakten rond Nitsana.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. In Israël is de soort als Kwetsbaar beoordeeld: de populatie telt minder dan 1000 vogels, schommelt sterk met de regenval en is sinds de jaren 1960–1970, toen honderden paren in de Negev en Arava broedden, sterk afgenomen. Elders is hij slecht bekend maar verbreid.

Wetenschappelijke naam

Eremophila bilopha | (Temminck, 1823)

Temminck beschreef de soort in 1823 als Alauda bilopha; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Eremophila werd in 1828 ingevoerd door Boie. Eremophila is Grieks, van erēmos 'woestijn' en phileō 'houden van': de woestijnminnende. bilopha verbindt het Latijnse bi- 'twee' met het Griekse lophos 'kuif': tweekuivig, naar de twee zwarte veerhoorntjes. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de woestijn bij Aqaba.