Alle soorten › Zangvogels › Vinkachtigen › Vale woestijnvink

Vale woestijnvink | Rhodospiza obsoleta

Desert Finch | Camachuelo desertícola

De vale woestijnvink is een zandkleurige, ongestreepte vink met een zwarte snavel en een roze vleugelpaneel, die in het gidsgebied vooral in de Levant, Syrië en Irak broedt. Ondanks de naam is het geen echte woestijnvogel: hij leeft in boomgaarden, oases en groene plekken aan de rand van steppe en halfwoestijn.

Vale woestijnvink (Rhodospiza obsoleta)
Foto: Kudaibergen Amirekul — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een zacht, wat nasaal rollend trrr-uut of sjrie, dat aan een kneu doet denken maar trager en weker klinkt. De zang is een rustig, licht rollend gebabbel met nasale en zoemende tonen, vaak vanuit een boomkruin; weinig doordringend en makkelijk te missen.

Luister: ZangXC471597

Opname: Alain Verneau — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

14,5–15 cm, slank, met een vrij lange, licht gevorkte staart. Het hele lichaam is egaal zandbruin tot bleek beige, zonder streping, met een lichtere buik. De snavel is het hele jaar zwart; het mannetje heeft bovendien zwarte teugels en een zwart randje rond de snavelbasis. De vleugel is opvallend getekend: zwarte slagpennen met brede witte randen aan de tertials en binnenste armpennen en een roze paneel over de grote dekveren en de basis van de handpennen, dat in vlucht als een rozige baan oplicht. De staart is zwart met witte randen. Het vrouwtje is doffer, met minder roze en zonder het zwart aan de snavelbasis. Jonge vogels zijn nog vager, met een hoornkleurige snavel.

Verwarrings­soorten

De woestijnvink (Bucanetes githagineus) is kleiner en gedrongener, met een grijzige kop, een dikke oranjerode of geelachtige snavel en geen zwart-wit in de vleugel. De rode woestijnvink (Rhodopechys sanguineus) heeft ook roze in de vleugel, maar is forser, met een zwartbruine kruin, een gevlekte borst en een bleke, dikke snavel. De kneu (Linaria cannabina) is gestreept en toont wit, geen roze, in vleugel en staart. Een effen zandkleurige vink met een zwarte snavel is vrijwel zeker deze soort.

Leefgebied

Boomgaarden, wijngaarden, olijfgaarden, tuinen en bomenrijen aan de rand van droge steppe en halfwoestijn, vaak bij water; ook oases, bosjes in brede wadi's, parken en plantages aan de rand van dorpen. Foerageert vaak op de grond op zaden van kruiden, in de winter in groepen, soms met andere vinken. Nestelt in een boom of hoge struik.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Broedt in Israël (vooral het noorden, de Jordaanvallei en het centrale bergland), Jordanië (vooral het noorden en de oostelijke oases zoals Azraq), Libanon (Bekavallei), Syrië en Noord- en Midden-Irak. In de winter verspreider, met kleine aantallen in Koeweit en Noord-Saoedi-Arabië; elders in Arabië en in Egypte (Sinaï) een zeldzame gast. Ontbreekt in Noord-Afrika ten westen van Egypte. Daarbuiten van Turkije en de Kaukasus via Iran en Afghanistan tot Centraal-Azië en West-China.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek in het voorjaar in boomgaarden en bomenrijen bij dorpen in Noord-Israël, de Golan of Noord-Jordanië, waar zingende mannetjes in de kruinen zitten. Het roze vleugelpaneel en de witte staartranden vallen het best op wanneer een groepje opvliegt van de grond.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. In de Levant heeft de soort zich in de 20e eeuw uitgebreid, geholpen door aanplant van boomgaarden en bomenrijen in droge streken. Over de aantallen in Syrië en Irak is weinig recents bekend.

Wetenschappelijke naam

Rhodospiza obsoleta | (Lichtenstein, 1823)

Lichtenstein beschreef de soort in 1823 als Fringilla obsoleta; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Rhodospiza werd in 1888 ingevoerd door Sharpe. Rhodospiza is Grieks, van rhodon 'roos, rozerood' en spiza 'vink', naar het roze in de vleugel. obsoleta is Latijn voor 'onopvallend, verbleekt', naar het effen zandbruine verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit bij Boechara in Oezbekistan.