Alle soorten › Zangvogels › Leeuweriken › Veldleeuwerik

Veldleeuwerik | Alauda arvensis

Eurasian Skylark | Alondra común

De veldleeuwerik is in dit gebied vooral een wintervogel: van oktober tot maart bevolken grote troepen de akkers, steppen en kustvlakten van de Maghreb tot de Golf. Als broedvogel blijft hij beperkt tot de koelere hoogvlakten en bergen van Noordwest-Afrika en de Levant, waar zijn eindeloze zang hoog in de lucht het voorjaar aankondigt.

Veldleeuwerik (Alauda arvensis)
Foto: Alpsdake — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een minutenlange, ononderbroken stroom van trillers, rollende en fluitende tonen en imitaties, gebracht in een stijgende zangvlucht waarbij de vogel hoog in de lucht blijft hangen. De roep, vaak gehoord van overvliegende wintertroepen, is een rollend prrriet of tsjirr-up.

Luister: VluchtroepXC1184876

Opname: Philippe Grange — CC0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

18–19 cm, een stevige, bruin gestreepte leeuwerik met een vrij lange staart en een korte, stompe kuif die vaak wordt opgezet. Bovendelen grijsbruin tot warm bruin met zwarte strepen; borst geelbruin met fijne, scherp begrensde strepen die tegen de witte buik afsteken. Wang bruin met een lichte rand, een vage lichte wenkbrauwstreep. In vlucht zijn de witte achterrand van de armvleugel en de witte buitenste staartveren de beste kenmerken. Seksen gelijk. Broedvogels van Noord-Afrika en de Levant zijn gemiddeld wat bleker en grijzer dan de wintergasten uit Europa.

Verwarrings­soorten

De kleine veldleeuwerik (Alauda gulgula) is kleiner en korter gestaart, met een rossig vleugelpaneel, een zandkleurige in plaats van witte vleugelachterrand en een zoemende roep. De boomleeuwerik (Lullula arborea) heeft een veel kortere staart, een zwart-witte vlek aan de vleugelrand en lange witte wenkbrauwstrepen. De kuifleeuwerik (Galerida cristata) heeft een spitse kuif, rossige ondervleugels en geen witte vleugelachterrand. De kortteenleeuwerik (Calandrella brachydactyla) is kleiner en bleker, met een ongestreepte borst en een donkere vlek op de halszijde.

Leefgebied

Broedt in kort grasland, alfa-steppe, bergweiden en akkers op hoogvlakten en in de bergen; in Marokko vooral boven 1000 m. In de winter op graanakkers, stoppelvelden, braakland en weiden, in steppe en halfwoestijn, op kustvlakten en in de Golfstaten op geïrrigeerde velden en grasvlakten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Broedvogel in Marokko (Midden- en Hoge Atlas en de hoogvlakten in het oosten), op de hoogvlakten van Noord-Algerije en plaatselijk in Noord-Tunesië; in de Levant in de bergen van Libanon, de Anti-Libanon en de Hermon en in West-Syrië, en in de bergen van Noord-Irak. Als wintergast talrijk in de hele Maghreb, Noord-Libië, Noord-Egypte met de Nijldelta en de Sinaï, Israël, Jordanië, Syrië en Irak; naar het zuiden minder talrijk tot Koeweit, Saoedi-Arabië, Bahrein, Qatar, de Emiraten en Noord-Oman. In Jemen zeldzaam. Daarbuiten broedt hij van Europa en Turkije tot Oost-Azië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de winter is hij overal in open akkerland te vinden; zoek in de troepen ook naar de kleine veldleeuwerik, vooral in de Hoelavallei en de Emiraten. Om de zang te horen ga je in mei en juni naar de hoogvlakten van de Midden-Atlas rond Ifrane en Timahdite.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. In Europa is de broedpopulatie door intensivering van de landbouw sterk afgenomen, wat ook het aantal wintergasten drukt. In het gebied worden leeuweriken plaatselijk nog gevangen of bejaagd, onder meer in Libanon en langs de Egyptische kust.

Wetenschappelijke naam

Alauda arvensis | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Alauda voerde hij in datzelfde werk in. Alauda is het Latijnse woord voor 'leeuwerik'; volgens Plinius gaat het terug op een Keltisch woord. arvensis is Latijn voor 'van de akker', bij arvum 'bouwland', naar het open boerenland waar de vogel broedt. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Uppsala in Zweden.