Alle soorten › Zangvogels › Leeuweriken › Kleine veldleeuwerik

Kleine veldleeuwerik | Alauda gulgula

Oriental Skylark | Alondra oriental

De kleine veldleeuwerik is de Aziatische tegenhanger van de veldleeuwerik en bereikt in dit gebied de westrand van zijn winterverspreiding. Tussen grote troepen veldleeuweriken op akkers en in vochtige weilanden is hij een uitdaging voor de gevorderde vogelaar: kleiner, korter gestaart en met een andere roep.

Kleine veldleeuwerik (Alauda gulgula)
Foto: Hari K Patibanda — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het meest bruikbaar is de roep: een droog, zoemend baz-baz of dzjieb, duidelijk anders dan het rollende prrriet van de veldleeuwerik. In het winterkwartier wordt zelden gezongen; de zang is een lange, gevarieerde reeks zoals bij de veldleeuwerik, maar met meer droge, zoemende tonen.

Luister: VluchtroepXC1178385

Opname: João Ferreira Tomás — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

14–16 cm, een kleine, compacte uitgave van de veldleeuwerik met een kortere staart, kortere handvleugel en een iets langere, fijnere snavel. Bovendelen bruin met donkere strepen, borst geelbruin met fijne strepen, wang vrij effen. Een kort kuifje kan worden opgezet. De beste kenmerken zijn een warm rossig paneel in de vleugel door de roestkleurige randen van de handpennen, een zandkleurige in plaats van witte achterrand aan de armvleugel en zandkleurige in plaats van witte buitenste staartveren. Seksen gelijk.

Verwarrings­soorten

De veldleeuwerik (Alauda arvensis) is groter, met een langere staart en langere vleugelprojectie, een witte vleugelachterrand en witte staartzijden. De boomleeuwerik (Lullula arborea) heeft een zwart-witte vlek aan de vleugelrand en een nog kortere staart. De zangstruikleeuwerik (Mirafra javanica) heeft ook rossige vleugels maar een dikke snavel en geen kuif, en komt alleen in Zuid-Arabië voor. Kortteenleeuweriken, zoals de kortteenleeuwerik (Calandrella brachydactyla), zijn bleker en ongestreept op de borst.

Leefgebied

Korte, vochtige graslanden, randen van visvijvers en drassige weiden, geïrrigeerde voedergewassen en graanakkers, en in de Golfstaten grasvelden en luzernevelden met sproeiers. Vaak tussen troepen veldleeuweriken en piepers.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

In het gebied een schaarse maar geregelde wintergast in Israël, vooral in de Hoelavallei, de Bet She'anvallei en op de kustvlakte, en in de Emiraten, Koeweit en Noord-Oman; zeldzaam in Saoedi-Arabië, Qatar en Bahrein en een dwaalgast in het noordoosten van Egypte. Mogelijk ook in Irak, waar gegevens ontbreken. Broedt van Centraal-Azië en Iran via het Indiase subcontinent tot China en Zuidoost-Azië.

  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Loop in de winter over korte, natte graslanden in de Hoelavallei of langs geïrrigeerde velden in de Emiraten en luister naar de afwijkende, zoemende roep tussen de veldleeuweriken. Een vogel die opvliegt met een zandkleurige in plaats van witte vleugelachterrand is het controleren waard.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Een van de talrijkste leeuweriken van Azië. Binnen het gebied is de wintergast schaars en waarschijnlijk deels onderbelicht door verwarring met de veldleeuwerik.

Wetenschappelijke naam

Alauda gulgula | Franklin, 1831

Franklin beschreef de soort in 1831 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Alauda werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Alauda is het Latijnse woord voor 'leeuwerik'; volgens Plinius gaat het terug op een Keltisch woord. gulgula is van onzekere herkomst: mogelijk naar de zang, bij het Latijnse gula 'keel', of naar de kleur van een gulgula, een zoet gebak uit Midden-India. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit tussen Calcutta en Varanasi.