Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen en sterns › Witwangstern

Witwangstern | Chlidonias hybrida

Whiskered Tern | Fumarel cariblanco

De grootste en meest zilvergrijze van de drie moerassterns, die zijn drijvende nest bouwt op waterplanten in ondiepe, begroeide meren. In het gidsgebied broedt hij in de natte noordrand van de Maghreb en in de moerassen van Syrië en Irak, en in de winter blijft hij in aantal in de Nijlvallei en de Levant.

Witwangstern (Chlidonias hybrida)
Foto: Birds of Gilgit-Baltistan from Aliabad, Hunza, Pakistan — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een droog, raspend kerch of krrek, als van een kwartelkoning; bij de kolonie een rauw kwetterend koor.

Luister: VluchtroepXC1183893

Opname: Indra Kusuma — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Een kleine, compacte stern met een vrij korte, nauwelijks gevorkte staart en een donkerrode snavel en poten. In zomerkleed is hij donker leigrijs van onderen met een zwarte kap en een opvallend witte wang die als een witte streep tussen kap en grijze hals loopt; de onderstaartdekveren zijn wit. In winterkleed is hij licht zilvergrijs van boven en wit van onderen, met een grijs gestreepte achterkruin die achter het oog uitloopt. Jonge vogels hebben een bruin-zwart geschubde mantel. De vlucht is rustiger en minder fladderend dan die van de andere moerassterns; hij pikt prooi van het water maar duikt ook kort in.

Verwarrings­soorten

De zwarte stern (Chlidonias niger) en de witvleugelstern (Chlidonias leucopterus) zijn kleiner en slanker en hebben in zomerkleed zwarte onderdelen. In winterkleed onderscheid je de witwangstern aan de forsere snavel, de lichtgrijze stuit en staart en het ontbreken van een donkere borstvlek; de witvleugelstern heeft een witte stuit, de zwarte stern een donkere vlek aan de borstzijde. De visdief (Sterna hirundo) is groter, met een langere, diep gevorkte staart.

Leefgebied

Ondiepe zoete of licht brakke meren, moerassen en overstroomde graslanden met drijvende planten en riet; ook stuwmeren, rijstvelden, vissersvijvers en irrigatiekanalen. Broedt in kolonies op drijvende vegetatie. Buiten de broedtijd ook op lagunes, zoutpannen en langs rivieren.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Broedt in het noorden van Marokko (merja's langs de Atlantische kust en meertjes in de Midden-Atlas), in Noordoost-Algerije (de meren rond El Kala zijn een van de belangrijkste broedgebieden van het Middellandse Zeegebied) en in Noord-Tunesië (Ichkeul). In het oosten broedt hij in Syrië en talrijk in de moerassen van Zuid-Irak; in Israël en Egypte broedt hij onregelmatig en in kleine aantallen. Als doortrekker algemeen in de Maghreb, langs de Nijl en in de Levant, schaarser in Arabië. In de winter talrijk in de Nijldelta en de Nijlvallei en bij vissersvijvers in Israël, plaatselijk in de Maghreb en langs de Golf; schaars in Oman en Jemen. Daarbuiten broedt hij in Zuid- en Oost-Europa, Centraal- en Oost-Azië, Afrika ten zuiden van de Sahara en Australië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het Ichkeul-meer in Tunesië en de meren bij El Kala in Algerije zijn in voorjaar en zomer de beste plekken om kolonies te zien. In de winter jagen groepen boven de vissersvijvers in de Bet She'an-vallei en de Hula in Israël en boven de kanalen en meren van de Nijldelta.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. In Noord-Afrika en het Midden-Oosten afhankelijk van een beperkt aantal zoetwatermoerassen, die verloren gaan door drooglegging, waterwinning en verdroging; in droge jaren mislukken hele kolonies. Het herstel van de Iraakse moerassen is gunstig geweest.

Wetenschappelijke naam

Chlidonias hybrida | (Pallas, 1811)

Pallas beschreef de soort in 1811 als Sterna hybrida; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Chlidonias werd in 1822 ingevoerd door Rafinesque. Chlidonias komt van het Griekse khelidonios 'zwaluwachtig', van khelidon 'zwaluw'. hybrida is Latijn voor 'bastaard': de beschrijver hield de vogel voor een kruising van witvleugelstern en visdief. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de benedenloop van de Wolga in Rusland.