Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen en sterns › Lachstern
Lachstern | Gelochelidon nilotica
Gull-Billed Tern | Pagaza piconegra
Een forse, bleke stern met een korte, dikke zwarte snavel, die meer dan andere sterns boven land jaagt: boven zoutvlakten, moerassen en akkers pikt hij insecten, hagedissen en kleine krabben van de grond. In het gidsgebied broedt hij verspreid van de Maghreb tot de moerassen van Zuid-Irak; in de winter zit hij vooral aan de Golf, de Rode Zee en in de Nijldelta.
Geluid
Een nasaal, lachend ke-wek of gerr-vek, vaak herhaald; bij de kolonie een hard, schurend kaak-kaak.
Opname: Walter Wallner — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Bijna zo groot als een grote stern, maar met bredere vleugels, een kortere, slechts licht gevorkte staart en een korte, dikke, geheel zwarte snavel met een duidelijke hoek in de ondersnavel. In zomerkleed een strak afgesneden zwarte kap zonder kuif; de bovendelen zijn licht zilvergrijs, de onderdelen wit, de poten vrij lang en zwart. In winterkleed is de kop wit met een kleine donkere vlek achter het oog. In vlucht toont hij een donkere achterrand aan de handpennen, en de vlucht is rustig en meeuwachtig, met weinig duiken: hij plukt zijn prooi van de grond of het wateroppervlak.
Verwarringssoorten
De grote stern (Thalasseus sandvicensis) is slanker, heeft een langere, dunne snavel met gele punt, een rafelig kuifje en smallere vleugels en duikt steil in het water. De reuzenstern (Hydroprogne caspia) is veel groter en heeft een dikke rode snavel. In winterkleed lijkt hij op de witwangstern (Chlidonias hybrida), die echter veel kleiner is en een dunne snavel heeft.
Leefgebied
Zoutpannen, sebkha's, lagunes en moerassen met kale, droge oevers, en de omliggende steppen, akkers en natte weilanden waarover hij jaagt; in de winter ook getijdenvlakten en vissersvijvers. Broedt in kleine kolonies op kale eilandjes en dijkjes, vaak samen met andere sterns en kluten.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Broedt in het noordwesten op enkele plaatsen in Marokko (vooral de Atlantische lagunes en het Loukkos-gebied), in Algerije (chotts en de meren rond El Kala) en Tunesië (golf van Gabès, sebkha's van de Sahel); in Libië en Egypte (Nijldelta) broedt hij hooguit plaatselijk en in kleine aantallen. In het oosten broedt hij in Syrië, langs Eufraat en Tigris en in grote aantallen in de moerassen van Zuid-Irak, en verder op eilanden en kusten van Koeweit, Saoedi-Arabië en Bahrein. Als doortrekker overal te zien, ook langs de Jordaanvallei en bij Eilat. In de winter talrijk langs de Perzische Golf, de Golf van Oman en de Rode Zee, in de Nijldelta en de Nijlvallei, en in kleinere aantallen aan de Atlantische kust van Marokko en Westelijke Sahara. Daarbuiten broedt hij verspreid in Zuid-Europa en van Turkije en de Kaspische Zee tot Centraal-Azië en China, en in andere vormen in Amerika en Australië; de Euraziatische vogels overwinteren in de Sahel, Oost-Afrika en Zuid-Azië.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Let op een stern die laag boven een zoutvlakte of akker heen en weer vliegt en zich naar de grond laat vallen in plaats van te duiken: dat is vrijwel altijd een lachstern. In de winter zijn de lagunes en getijdenvlakten van Koeweit, Bahrein en Abu Dhabi en de deltameren van Egypte de beste plekken; in voorjaar en zomer de zoutpannen van Tunesië.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd, maar de Europese en Noord-Afrikaanse broedpopulaties zijn klein en wisselvallig. In het gidsgebied zijn de kolonies kwetsbaar door drooglegging, verstoring, het rapen van eieren en de inrichting van kusten; het herstel van de Iraakse moerassen na 2003 heeft de soort daar weer ruimte gegeven.
Wetenschappelijke naam
Gelochelidon nilotica | (Gmelin, 1789)
Gmelin beschreef de soort in 1789 als Sterna nilotica; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Gelochelidon werd in 1830 ingevoerd door Brehm. Gelochelidon is Grieks, van gelaō 'lachen' en khelidōn 'zwaluw'. nilotica is Latijn voor 'van de Nijl', naar de streek waar het beschreven exemplaar vandaan kwam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Egypte.


