Alle soorten › Uilen › Echte uilen › Woestijnoehoe
Woestijnoehoe | Bubo ascalaphus
Pharaoh Eagle-Owl | Búho desértico
De oehoe van de woestijn: een grote, lichte uil met oorpluimen die van Marokko tot Irak en over het grootste deel van Arabië de rotsige woestijnen en wadi's bewoont. Hij is kleiner en veel bleker dan de oehoe, waarvan hij lange tijd als ondersoort werd beschouwd, en jaagt 's nachts op springmuizen, gerbils, egels en vogels.
Geluid
Een korte, diepe en vrij hoge hoe-oe of oehoe, korter en minder krachtig dan bij de oehoe, met de nadruk op het einde en vaak ver hoorbaar; mannetje en vrouwtje roepen in duet. Alarm een hondachtig blaffen; jongen bedelen met een schor, sissend krassen.
Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
Een grote uil met korte, vaak weinig opvallende oorpluimen en oranje ogen. De bovendelen zijn zandkleurig tot okergeel met fijne donkere vlekjes, de onderdelen lichtgeel met dunne, scherpe lengtestreepjes op de borst en zeer fijne dwarsgolfjes op de buik; het gezichtsveld is licht met een smalle donkere rand. Vogels van de Sahara en Arabië zijn het bleekst, bijna zandwit; die van het noorden van Marokko en de Levant zijn donkerder en warmer gekleurd. In vlucht breed en grootkoppig, met lichte ondervleugels en een fijn gebandeerde vleugelpunt.
Verwarringssoorten
De oehoe (Bubo bubo) is veel groter en donkerder, met zwaardere borststreping, lange oorpluimen en een donkerder gezichtsrand; in de Levant komen beide voor en bestaan tussenvormen. De afrikaanse oehoe (Bubo africanus) van de Arabische bergen is kleiner en grijzer, met dichte dwarsbandering op de buik en gele ogen. De ransuil (Asio otus) heeft ook oorpluimen en oranje ogen, maar is half zo groot en slank.
Leefgebied
Rotsige woestijn en halfwoestijn met kloven, wadi's, steile wanden en losse rotsblokken, ook ruïnes, steengroeven en oude forten; in de Sahara en Arabië ook bij oases, dadelpalmtuinen en geïrrigeerde velden aan de woestijnrand. Het nest ligt op een richel of in een holte in een rotswand, soms op de grond tussen rotsen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
In Noord-Afrika verspreid in Marokko (inclusief West-Sahara, vooral ten zuiden en oosten van de Atlas en in de Anti-Atlas), de Saharagebieden en het Atlasvoorland van Algerije, Zuid-Tunesië, de Libische woestijn en Egypte, waar hij in de Westelijke en Oostelijke Woestijn, langs de rand van de Nijlvallei en in de Sinaï voorkomt. In het oosten broedt hij in de Negev, de Arava en de Judese woestijn in Israël, in Jordanië (onder meer Wadi Rum en Azraq), de woestijnsteppe van Syrië en de westelijke en zuidelijke woestijnen van Irak. In Arabië verspreid door Saoedi-Arabië, Koeweit, Bahrein, Qatar, de Emiraten en Oman, plaatselijk en schaars in Jemen. Daarbuiten van Mauritanië en Mali tot Tsjaad en Soedan en in het zuidwesten van Iran.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Het makkelijkst te zien bij dagrustplaatsen die plaatselijke gidsen kennen, zoals in de Marokkaanse Sahara rond Merzouga en Erfoud of in de kloven van de Anti-Atlas. In Israël en Jordanië roept hij in de winter en het vroege voorjaar na zonsondergang in de wadi's van de Negev, de Arava en Wadi Rum. Zoek overdag rotsige overhangen af op witte uitwerpselen en braakballen.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd, maar in grote delen van het gebied slecht onderzocht. Bedreigingen zijn vergiftiging van knaagdieren, afschot, verkeer en hoogspanningslijnen, waaraan veel uilen omkomen; vangst voor de handel en de valkerij speelt in Arabië een rol.
Wetenschappelijke naam
Bubo ascalaphus | de Savigny, 1809
De Savigny beschreef de soort in 1809 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Bubo werd in 1805 ingevoerd door Duméril. Bubo is het Latijnse woord voor de oehoe. ascalaphus verwijst naar Ascalaphus uit de Griekse mythologie, de zoon van Acheron die verklapte dat Persephone in de onderwereld granaatappelpitten had gegeten en daarop in een oehoe werd veranderd. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Boven-Egypte.


