Alle soorten › Uilen › Echte uilen › Oehoe

Oehoe | Bubo bubo

Eurasian Eagle-Owl | Búho real

De grootste uil van het gebied, een machtige roofvogel van de nacht met lange oorpluimen en vuuroranje ogen. In het gidsgebied bereikt hij alleen in het noordoosten de zuidgrens van zijn enorme Euraziatische areaal: in de bergen van Libanon, Syrië, Noord-Irak en het noorden van Israël en Jordanië. Verder naar het zuiden en in Noord-Afrika neemt de woestijnoehoe zijn plaats in.

Oehoe (Bubo bubo)
Foto: Imran Shah from Islamabad, Pakistan — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een diepe, doffe, ver dragende oe-hoe met de nadruk op de eerste lettergreep, op stille avonden kilometers ver hoorbaar; het wijfje roept hoger en heser. Vooral in de late herfst en van december tot maart, kort na zonsondergang. Alarm een hard, blaffend kwek-kwek; jongen bedelen met een schor, klagend krassen.

Luister: DuetXC1091374

Opname: Samuel Persson — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

Zeer groot en zwaar, met een brede kop, lange, schuin opstaande oorpluimen en grote oranje ogen. De bovendelen zijn warm bruin met zwarte vlekken en strepen; de onderdelen geelbruin met brede zwarte lengtestrepen op de borst, die op de buik overgaan in fijne dwarsgolfjes. Het gezicht is bruin met een donkere rand en een lichte keel. De vogels van het Midden-Oosten zijn iets lichter en geler dan die van Midden-Europa. In vlucht reusachtig en buizerdachtig, met brede, ronde vleugels, een korte staart en een grote kop; de vleugelslag is ondiep en stijf.

Verwarrings­soorten

De woestijnoehoe (Bubo ascalaphus) is duidelijk kleiner en veel bleker zandkleurig, met kortere oorpluimen en fijnere borststreping; in Israël, Jordanië en Syrië grenzen de twee aan elkaar en komen tussenvormen voor. De ransuil (Asio otus) lijkt een kleine oehoe, maar is veel kleiner en slanker. De velduil (Asio flammeus) jaagt in open terrein, heeft heel korte oorpluimen en gele ogen.

Leefgebied

Ruige rotsachtige berghellingen, kloven en riviervalleien met steile wanden, vaak met afwisseling van bos, maquis en open land; ook steengroeven en ruïnes. In Irak ook rotswanden langs rivieren in de heuvelzone. Het nest ligt op een beschutte richel of in een holte in een rotswand.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Binnen het gebied beperkt tot het noordoosten: in Libanon in de bergen en de Bekaavallei, in Syrië in de kustgebergten, het Anti-Libanongebergte en het noorden en oosten van het land langs de Eufraat, in het noorden van Irak (Koerdistan en de heuvelzone langs de Tigris) en in het noorden van Israël (Golan, Galilea, Karmel) en Jordanië (noordelijke hooglanden). In het zuiden gaat hij over in de woestijnoehoe, en de grens tussen beide is niet scherp. In Noord-Afrika en Arabië ontbreekt hij. Daarbuiten broedt hij van Iberië en Scandinavië door heel Europa en Azië tot Kamtsjatka, Japan en de Himalaya.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de Golan en Galilea zijn roepende vogels in de winter te horen in kloven als Gamla en de Nahal Amud; ga kort na zonsondergang luisteren bij een rotswand. In Libanon in de valleien van het Libanongebergte. Overdag verraden witte uitwerpselen en braakballen onder een overhang een rustplaats.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. In de Levant en Irak schaars en slecht onderzocht; bedreigingen zijn afschot, vergiftiging van knaagdieren, botsingen met hoogspanningslijnen en verkeer, en verstoring van broedplaatsen door steengroeven en bebouwing.

Wetenschappelijke naam

Bubo bubo | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Strix Bubo; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Bubo werd in 1805 ingevoerd door Duméril. Bubo is het Latijnse woord voor de oehoe. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.