Alle soorten › Uilen › Echte uilen › Bosuil

Bosuil | Strix aluco

Tawny Owl | Cárabo común

De bekende uil van Europese bossen bereikt in het gidsgebied de zuidrand van zijn verspreiding. Hij leeft in de bossen van de Maghreb en in de beboste bergen en heuvels van de Levant en Noord-Irak, en ontbreekt in de woestijnen; daar nemen de palestijnse bosuil en de omaanse uil zijn plaats in.

Bosuil (Strix aluco)
Foto: hedera.baltica — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het mannetje roept een bekend, trillend hoeoe… hoe-hoe-hoeoeoe, het vrouwtje een scherp kie-wiek; vaak door elkaar heen, vooral in de herfst en de winter. Jongen bedelen met een hees, piepend psiieh.

Luister: AlarmroepXC1184870

Opname: Mark James Pearson — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Een gedrongen, middelgrote uil met een grote ronde kop zonder oorpluimen en grote, donkere, bijna zwarte ogen. Het verenkleed is bruin tot roodbruin of grijsbruin, met donkere lengtestrepen en fijne dwarsbandjes op de onderdelen en een rij witte vlekken op de schouder. Het gezicht is egaal met een donkere rand en twee lichte strepen die als wenkbrauwen tussen de ogen omhoog lopen. De Noord-Afrikaanse ondersoort mauritanica is groot en vrij donker en grijsbruin. In vlucht breedvleugelig en kortstaartig, met een grote kop.

Verwarrings­soorten

De palestijnse bosuil (Strix hadorami) is kleiner en veel bleker zandkleurig, met oranje-gele ogen en een licht gezicht; hij leeft in rotsige woestijn en niet in bos. De ransuil (Asio otus) is slanker, heeft oorpluimen en oranje ogen. De kerkuil (Tyto alba) heeft een hartvormig wit gezicht en lichte onderdelen.

Leefgebied

Oude loof- en naaldbossen met holle bomen: in de Maghreb eiken- en cederbossen, kurkeikenbos en gemengd bos in de Atlas, het Rifgebergte en de Kroemirie; in de Levant eikenbos, pijnbos en bosrijke dalen, maar ook olijfgaarden, oude boomgaarden, parken en begraafplaatsen met grote bomen. Het nest ligt in een boomholte, soms in een rotsspleet of gebouw.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

In Noord-Afrika in de bosgebieden van Marokko (Rif, Midden- en Hoge Atlas, de kurkeikenbossen van de Atlantische vlakte), Noord-Algerije en Noord-Tunesië. In het oosten broedt hij in Libanon, West-Syrië, Noord-Israël (Galilea, de Karmel en de Judese heuvels tot rond Jeruzalem), de noordelijke hooglanden van Jordanië (Ajloun, Dibbeen) en in de bergen van Noord-Irak. In Egypte, Libië en Arabië ontbreekt hij. Daarbuiten broedt hij in vrijwel heel Europa, in Turkije en Iran en tot West-Siberië, met verwante vormen in Centraal-Azië en China.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de cederbossen bij Ifrane en Azrou in de Midden-Atlas roept hij in de herfst en het vroege voorjaar al kort na zonsondergang. In Israël is hij te horen in de bossen van de Karmel en Galilea en in parken van Jeruzalem; in Jordanië in de eikenbossen van Ajloun. Zangvogels die luid alarmerend rond een dichte boom zitten, verraden soms een rustende uil.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. In het gidsgebied gevoelig voor bosverlies, het kappen van oude bomen met holtes, bosbranden en vergiftiging van knaagdieren. Aan de zuidrand van zijn verspreiding in Israël lijkt de soort gevoelig voor extreme hitte en droogte.

Wetenschappelijke naam

Strix aluco | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Strix voerde hij in datzelfde werk in. Strix is het Latijnse woord voor 'uil'; in de klassieke overlevering was de strix een nachtvogel die het bloed van zuigelingen zou drinken. aluco komt van het Italiaanse allocco 'bosuil', dat teruggaat op het Latijnse ulucus 'schreeuwuil'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.