Alle soorten › Zangvogels › Lijsters › Zanglijster

Zanglijster | Turdus philomelos

Song Thrush | Zorzal común

De zanglijster is in het gidsgebied de gewone wintergast onder de lijsters: van oktober tot maart zit hij in olijfgaarden, boomgaarden, parken en oases van Marokko tot de Perzische Golf. Hier broedt hij niet; de vogels komen uit Europa, Turkije en West-Rusland.

Zanglijster (Turdus philomelos)
Foto: Simon Chinnery — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep in de winter is een kort, scherp tsip, vaak in de vlucht en 's nachts van trekkende vogels; bij onraad een tikkend tsjik-tsjik. De zang, soms al in februari of maart te horen voor vertrek, bestaat uit luide, heldere motieven die elk twee tot vier keer worden herhaald.

Luister: Nachtelijke vluchtroepXC1186029

Opname: Paolo Zucca — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

20–23 cm. Een middelgrote, compacte lijster met een vrij korte staart. Bovendelen warm olijfbruin, zonder tekening; vleugeldekveren met smalle, lichte puntjes. Onderdelen wit, op de borst en flanken warmgeel tot beige getint, met kleine, donkere, pijl- of druppelvormige vlekken in nette rijen; de buik is wit en minder gevlekt. De kop is vrij vlak getekend met een lichte oogring en een vage baardstreep. In de vlucht een warm oranjebeige ondervleugel. Seksen gelijk.

Verwarrings­soorten

De grote lijster (Turdus viscivorus) is veel groter en grijzer, met grote ronde vlekken, een witte ondervleugel en witte staarthoeken. De koperwiek (Turdus iliacus) heeft een brede witte wenkbrauwstreep, een donkere wang en roestrode flanken en ondervleugel. De jemenlijster (Turdus menachensis), in de bergen van Zuidwest-Arabië, heeft streepjes in plaats van vlekken, een grauwe, ongevlekte buik en een oranjegele snavel.

Leefgebied

In de winter in olijfgaarden, boomgaarden, wijngaarden, maquis, parken en tuinen, struikgewas langs wadi's, irrigatielandbouw en oases met dadelpalmen; ook in stadsparken in de Golfstaten. Foerageert op de grond naar wormen, slakken en insecten, en eet veel bessen en olijven. Op de trek in elk gebied met bomen of struiken.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Talrijke wintergast in het noorden van Marokko, Algerije en Tunesië, langs de kust van Libië, in het noorden van Egypte (Nijldelta, Sinaï), in Israël, Palestina, Libanon, Syrië, Jordanië en Irak. Op het Arabisch Schiereiland gewone wintergast in Koeweit, het noorden en oosten van Saoedi-Arabië, Bahrein en Qatar, minder talrijk in de Emiraten en Oman en zeldzaam in Jemen. In de Sahara alleen op de trek in oases. Broedt van Europa tot Centraal-Siberië en Noord-Iran.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de winter in een olijfgaard of park in de Maghreb of de Levant: let op een lijster die rent, stilstaat en de kop schuin houdt om naar wormen te luisteren. Slakkenhuisjes op een steen (een 'aambeeld') verraden zijn aanwezigheid.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. In het gidsgebied wordt hij op grote schaal gevangen en geschoten, in de Maghreb en de Levant met netten en lijmstokken; die jacht treft vooral de overwinteraars.

Wetenschappelijke naam

Turdus philomelos | Brehm, 1831

Brehm beschreef de soort in 1831 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Turdus werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Turdus is het gewone Latijnse woord voor 'lijster'. philomelos verwijst naar Philomela uit de Griekse mythe, die in een zangvogel werd veranderd; haar naam is gevormd uit philos 'liefhebbend' en melos 'zang'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit midden-Duitsland.