Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Zeearend

Zeearend | Haliaeetus albicilla

White-Tailed Eagle | Pigargo europeo

De zeearend is de grootste arend van Europa: een reusachtige, bruine roofvogel met plankvormige vleugels, een zware gele snavel en bij de volwassen vogel een korte, witte wigstaart. In het gebied is hij een zeldzame wintergast bij grote meren, visvijvers en kustlagunes; als broedvogel is hij in Noord-Afrika al lang verdwenen.

Zeearend (Haliaeetus albicilla)
Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

In de winter meestal stil. Bij het nest een blaffende, hoge klie-klie-klie-klie, vaak in duet.

Luister: RoepXC918742

Opname: Esperanza Poveda — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

76–92 cm, spanwijdte 190–240 cm. De volwassen vogel is donker aardbruin met een lichte, vaalgele kop en hals, een geheel gele, zware snavel en een korte, spierwitte wigstaart. In vlucht enorme, brede, rechthoekige vleugels met diep gevingerde handpennen, vlak gehouden; de kop met de grote snavel steekt bijna even ver naar voren als de staart naar achteren. De jonge vogel is donkerder en gevlekt, met een donkere snavel en kop en een donkere staart met witte binnenvlaggen; de witte staart en gele snavel komen in vijf tot zes jaar.

Verwarrings­soorten

De steenarend (Aquila chrysaetos) is slanker, zweeft met de vleugels in een ondiepe V, heeft een kleinere kop en een langere, afgeronde staart. De vale gier (Gyps fulvus) en de monniksgier (Aegypius monachus) hebben een kleine, ingetrokken kop. Pallas' zeearend (Haliaeetus leucoryphus) is kleiner en slanker, met een langere, zwarte staart met een witte middenband; de jonge vogel heeft een lichte band onder de vleugel. Jonge bastaardarenden (Clanga clanga) bij visvijvers zijn veel kleiner, met een kortere hals.

Leefgebied

In de winter grote meren, rivierdelta's, moerassen, visvijvers en kustlagunes met veel vis en watervogels, en een rustplaats in hoge bomen of op open oevers. Eet vis, watervogels en aas, en pakt graag prooi af van andere roofvogels.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Broedde tot in het begin van de twintigste eeuw in de Nijldelta in Egypte, maar is daar al lang verdwenen. Nu een zeldzame wintergast: in Israël enkele vogels per winter, vooral bij de visvijvers in de Hulavallei en de Jizreëlvallei; ook in Syrië en in de moerassen en aan de grote meren van Irak. In Koeweit één geval (winter 2009, Kuwait Bay en Jahra), en in Egypte, Libanon, Jordanië en Saoedi-Arabië zeldzaam tot dwaalgast. In de Maghreb vroeger een wintergast bij het meer van Ichkeul in Tunesië, nu uitzonderlijk. Daarbuiten van IJsland, Noorwegen en Midden-Europa over Siberië tot Kamtsjatka en Japan; overwintert zuidelijk tot Turkije, Iran en China.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De beste kans is in december en januari in de Hulavallei, waar een volwassen of onvolwassen zeearend soms tussen de kraanvogels en aalscholvers bij de visvijvers zit. Let op de enorme, plankvormige vleugels en de korte staart.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; in Europa sterk hersteld na het verbod op DDT en dankzij bescherming en herintroducties. In het gebied blijft hij zeldzaam: drooglegging van moerassen, afschot en vergif in aas raken ook overwinterende vogels.

Wetenschappelijke naam

Haliaeetus albicilla | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Falco Albicilla; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Haliaeetus werd in 1809 ingevoerd door De Savigny. Haliaeetus is Grieks van oorsprong, van hals 'zee' en aetos 'arend': zeearend. albicilla is nieuwlatijn, van albus 'wit' en cilla 'staart', naar de witte staart van de oude vogel. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.