Alle soorten › Flamingo's › Flamingo's
Flamingo's | Phoenicopteridae
Flamingos | Flamencos
De tong werkt als een zuiger die het water een paar keer per seconde door de snavel pompt, langs de rijen hoornplaatjes die als zeef dienen; hoe fijner die plaatjes staan, hoe kleiner het voedsel dat wordt binnengehouden. Op dat verschil berust de scheiding tussen de twee geslachten: de dieprode, zwaar gebogen en van binnen zeer fijn geplaatte snavel van de kleine flamingo zeeft blauwwieren en kiezelwieren van vlak onder het wateroppervlak, waarbij de vogel de kop nauwelijks onderdompelt, terwijl de grovere snavel van de grote flamingo pekelkreeftjes, wormen en zaad uit de bodem haalt, die met stampende passen wordt losgetrapt. Het nest is een afgeknotte kegel van opgeharkte modder met altijd één krijtwit ei; beide ouders voeden het jong wekenlang met een rode klierafscheiding uit de krop, ook als het al lang met duizenden andere jongen in een crèche over de pan loopt. Dat jong heeft eerst een rechte snavel, die pas in de loop van maanden zijn knik krijgt. In de vlucht zijn hals en poten kaarsrecht uitgestrekt en steken de zwarte slagpennen scherp af tegen de roze dekveren; groepen trekken vaak in de nacht en in lange, schuine linies.
Inheemse soorten 2 soorten
Soorten die hier van nature voorkomen: broedvogels, wintergasten en doortrekkers. Ze staan per geslacht, in de volgorde van de lijst.
Phoenicopterus 1 soort
Phoeniconaias 1 soort



