Alle soorten › Flamingo's › Flamingo's › Flamingo

Flamingo | Phoenicopterus roseus

Greater Flamingo | Flamenco Común

De flamingo is de grootste en bleekste van de twee flamingo's van zuidelijk Afrika, een lange, bijna witte vogel met roze snavel en karmijnrode vleugels. Hij foerageert op ongewervelde dieren in ondiep zout en brak water en staat vaak in gemengde groepen met de kleine flamingo.

Flamingo (Phoenicopterus roseus)
Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een ganzachtig, tweelettergrepig getoeter, ka-hank, lager en voller dan bij de kleine flamingo. Een foeragerende groep produceert een aanhoudend gegak en gebrom; in vlucht roepen de vogels vrijwel voortdurend.

Luister: Nachtelijke vluchtroepXC1089548

Opname: BİLGEHAN ERGAN — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 120 tot 145 cm lang, met een zeer lange hals en poten. Het verenkleed is wit met een zweem roze; de bovenvleugeldekveren zijn karmijnrood en de slagpennen zwart, wat vooral in vlucht een opvallend rood-zwart vleugelpatroon geeft. De snavel is bleekroze met een scherp begrensde zwarte punt, het oog is geel en de poten zijn roze. Man en vrouw zijn gelijk, het mannetje duidelijk groter. Jonge vogels zijn grijsbruin met een grijze snavel en donkere poten, en worden pas na enkele jaren wit en roze. Vliegt in lijnen en V-formaties met uitgestrekte hals en poten.

Verwarrings­soorten

De kleine flamingo (Phoeniconaias minor) is veel kleiner en dieper roze, met een donkerrode snavel die op afstand zwart lijkt en zonder duidelijk contrasterende punt. In een gemengde groep valt de flamingo op door zijn lengte en bleekheid. Jonge flamingo's zijn groter en langer gesnaveld dan jonge kleine flamingo's. De rode flamingo (Phoenicopterus ruber) uit het Caraïbisch gebied is diep oranjeroze en komt in het gebied niet in het wild voor.

Leefgebied

Ondiepe zoutpannen, brakke meren, kustlagunes, estuaria, zoutwinningsbekkens en rioolzuiveringsvijvers, soms grote dammen in het binnenland. Foerageert met de kop ondersteboven in iets dieper water dan de kleine flamingo en zeeft garnaaltjes, insectenlarven, weekdiertjes en organisch slib uit de bodem; loopt daarbij vaak trappelend in kringetjes.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Broedt in natte jaren op de Etoshapan in Namibië en de Suapan in de Makgadikgadipannen in Botswana. Buiten de broedtijd verspreid over de hele regio: langs de kust van Namibië bij Walvisbaai en Sandwich Harbour, de monding van de Oranjerivier, de West-Kaap met de Langebaanlagune en de vlakten rond Kaapstad, de estuaria van de Oost-Kaap, het St. Luciameer in KwaZulu-Natal, de kust van Mozambique en de kust van Angola bij Luanda en de Baía dos Tigres; in het binnenland op pannen en dammen van het Hoogveld en in Botswana, schaars in Zimbabwe, Zambia en Malawi. Verder over grote delen van Afrika, Zuid-Europa, het Midden-Oosten en Zuid-Azië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Walvisbaai is de betrouwbaarste plek: het hele jaar staan er honderden tot duizenden vogels op de lagune, vaak vlak langs de boulevard. In Zuid-Afrika zijn Strandfontein bij Kaapstad, de Langebaanlagune en de zoutpannen aan de westkust goed. Na een natte zomer loont een bezoek aan Etosha of de Makgadikgadipannen, waar grote broedkolonies kunnen ontstaan.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en wereldwijd talrijk. In zuidelijk Afrika hangt het broedsucces af van onregelmatige regenval op een paar pannen, zodat jaren zonder jongen algemeen zijn. Verstoring van broedkolonies, zout- en sodawinning, wateronttrekking en botsingen met hoogspanningsleidingen zijn plaatselijk knelpunten.

Wetenschappelijke naam

Phoenicopterus roseus | Pallas, 1811

Pallas beschreef de soort in 1811 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Phoenicopterus werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Phoenicopterus is Grieks, van phoinix 'karmozijnrood' en pteron 'veer', dus 'roodgevederd'. roseus is Latijn voor 'rooskleurig', naar het lichtroze verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de rivier de Oeral.