Alle soorten › Zandhoenderachtigen
Zandhoenderachtigen | Pterocliformes
Sandgrouse | Gangas
Gedrongen vogels van droge, open vlakten: kleine kop, korte hals, volle borst en zeer lange, spitse vleugels die een snelle, rechtlijnige vlucht met scherpe, hoekige slagen mogelijk maken. Het dichte kleed is in zand-, oker-, grijs- en roomtinten fijn gevlekt en gebandeerd, bedekt ook de kale banen die de meeste vogels tussen hun veervelden hebben en zet zich voort op de poten; de nagels zijn kort en de achterteen is klein of ontbreekt, zodat er niet op takken wordt gezeten. Het voedsel bestaat vrijwel uitsluitend uit kleine, harde zaden, die één voor één en in grote aantallen van de kale grond worden opgepikt. Dat droge dieet dwingt tot dagelijks drinken: de troepen vliegen elk etmaal op een vast tijdstip naar open water, soms tientallen kilometers ver, drinken zuigend en met de kop omlaag en zijn binnen enkele seconden weer weg. De aankomst wordt aangekondigd door vluchtroepen waaraan de soorten al op grote afstand zijn te onderscheiden.
Families in deze orde
- Zandhoenders | Pteroclidae4 soortenHet opvallendste kenmerk zit in de buikveren van het mannetje: de baardjes daarvan krullen bij bevochtiging op en houden water vast als een spons. Hij weekt zijn onderzijde bij de drinkplaats tot het kleed doordrenkt is, vliegt terug naar het legsel en laat de jongen het water met hun snavel uit zijn veren strippen — nergens anders in de vogelwereld wordt water zo vervoerd. Het vrouwtje is fijner en dichter gebandeerd dan het mannetje en valt op het nest volkomen weg; het nest is niet meer dan een onbeklede, ondiepe kuil met doorgaans drie langwerpige eieren die aan beide einden even stomp zijn. Man en vrouw broeden om beurten, waarbij het mannetje de nacht voor zijn rekening neemt. De soorten van dit gebied verdelen de dag onderling: de ene troep komt kort na zonsopgang drinken, de andere in de late namiddag of in het laatste licht, en elke soort heeft een eigen roep in de vlucht. De donsjongen verlaten de kuil binnen een dag, pikken hun zaden vanaf het begin zelf op en drukken zich bij gevaar onbeweeglijk tegen de grond.