Alle soorten › Struisvogelachtigen
Struisvogelachtigen | Struthioniformes
Ostriches | Avestruces
Loopvogels uit de oudste tak van de vogelstamboom, de palaeognathen, herkenbaar aan een verhemelte waarvan de botten zwaar zijn en vrijwel onbeweeglijk aaneen liggen. Het borstbeen is een platte plaat zonder kiel, de vleugelspieren zijn sterk teruggelopen en de vleugels dienen nog alleen voor evenwicht bij het rennen, voor schaduw over de jongen en voor vertoon; het vliegvermogen is verloren. De veren missen de haakjes die bij andere vogels de baarden tot een gesloten vlag samenhaken, zodat het kleed los en pluimig blijft en geen water afstoot; een stuitklier ontbreekt. Alle kracht zit in het achterlijf: lange, zwaar gespierde loopbenen met een sterk verminderd aantal tenen, waarmee snelheden worden gehaald die geen andere vogel te voet bereikt, en een trap die als verdediging dient. De jongen komen in dons en ziend uit het ei, lopen vanaf de eerste dag mee, en het mannetje neemt een groot deel van het broeden en van de begeleiding van de kuikens voor zijn rekening.
Families in deze orde
- Struisvogels | Struthionidae1 soortDe enige vogel met twee tenen: de binnenste draagt een brede, hoefachtige nagel en vangt vrijwel het hele gewicht op, de buitenste is klein en nagelloos. Hals en dijen zijn onbevederd, de ogen zijn de grootste van alle landdieren en staan op een kop die boven het gras uitsteekt; het volwassen mannetje is zwart met witte slagpennen en staartveren, het vrouwtje en de onvolwassen vogels zijn grijsbruin. Er wordt gemeenschappelijk gelegd: in een uitgeschraapte kuil houdt de hoofdhen haar eigen eieren in het midden en schuift die van bijleggende hennen naar de rand, waar ze zelden uitkomen; zij broedt overdag, het zwarte mannetje 's nachts. De roep van het mannetje is een diep, ver dragend boemen van drie lettergrepen, voortgebracht met opgezwollen hals en op afstand moeilijk van een leeuw te onderscheiden. Het voedsel bestaat uit gras, zaden, bladeren, bloemen en succulenten, met grote hoeveelheden grit; het vocht komt grotendeels uit het groen zelf, zodat de vogels ver van water kunnen leven.