Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Afrikaanse bruine kiekendief

Afrikaanse bruine kiekendief | Circus ranivorus

African Marsh Harrier | Aguilucho Lagunero Etiópico

De Afrikaanse bruine kiekendief is de enige kiekendief die als broedvogel over het grootste deel van zuidelijk Afrika aan moerassen gebonden is. Hij jaagt laag en wiegend boven rietvelden, vleien en natte graslanden en is door het verdwijnen van wetlands op veel plaatsen zeldzaam geworden.

Afrikaanse bruine kiekendief (Circus ranivorus)
Foto: Christiaan Viljoen — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Meestal stil. In de broedtijd baltst het mannetje met een klagend fie-oe en een snel kekkerend kek-kek-kek; het vrouwtje bedelt met een hoog piepend pie-uu bij de prooioverdracht.

Luister: RoepXC433948

Opname: Lynette Rudman — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

44–50 cm, spanwijdte 115–140 cm. Volwassen vogels zijn overwegend donkerbruin met roestbruine, donker gestreepte borst en buik, een lichter gestreepte kop en vaak lichte randen langs de voorkant van de vleugel. De staart is grijsbruin met duidelijke donkere banden, en van onderen zijn de slagpennen licht met donkere banden, wat een gebandeerde ondervleugel geeft. De stuit is bruin of hooguit iets lichter, nooit helder wit. Iris, washuid en poten zijn geel. Jonge vogels zijn donkerder chocoladebruin met een lichte borstband en vaak een lichte vlek in de nek. Vliegt met de vleugels in een V en wiegt laag boven het riet.

Verwarrings­soorten

De bruine kiekendief Circus aeruginosus, een zeldzame gast uit het noorden, heeft bij het vrouwtje en de jonge vogel een roomkleurige kruin en keel en een ongebandeerde staart; het mannetje heeft grijze vleugelvlakken en zwarte vleugeltoppen. Vrouwtjes en jongen van de grauwe kiekendief Circus pygargus en de steppekiekendief Circus macrourus zijn slanker en hebben een witte stuit. De jonge zwarte kiekendief Circus maurus heeft een witte stuit en een sterk zwart-zilver gebandeerde staart.

Leefgebied

Rietvelden, lisdoddemoerassen, vleien, vloedvlakten en randen van dammen en meren, ook natte graslanden en akkers in de buurt van water. Jaagt laag en langzaam boven het riet op knaagdieren, kikkers, jonge watervogels en kleine vogels, en eet ook aas. Het nest ligt op de grond of in platgetrapt riet boven het water.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Wijdverbreid maar plaatselijk over een groot deel van het gebied: het oosten en zuiden van Zuid-Afrika, van de West-Kaap langs de kust tot KwaZoeloe-Natal en op het hoogveld, verder Lesotho, Eswatini, Zimbabwe, Mozambique, Malawi, Zambia, Angola, de Okavangodelta en het noorden van Botswana en de Caprivi-strook in het noordoosten van Namibië. Ontbreekt in het droge westen. Verder door Oost- en Centraal-Afrika tot Kenia, Oeganda, Congo en Ethiopië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek boven grote rietvelden en vleien, zoals op het hoogveld rond Chrissiesmeer, in de Okavangodelta en de Bangweulu- en Kafue-vlakten in Zambia. De vogel laat zich het best zien in de ochtend, wanneer hij laag en traag heen en weer over het riet jaagt. De gebandeerde staart en het ontbreken van een witte stuit zijn de snelste kenmerken.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd op de Rode Lijst, maar in Zuid-Afrika regionaal als bedreigd beschouwd. Belangrijkste oorzaken zijn het droogleggen, overbegrazen en verbranden van moerassen en vergiftiging. Elders in het gebied, zoals in Zambia en Botswana, is de soort nog vrij algemeen.

Wetenschappelijke naam

Circus ranivorus | (Daudin, 1800)

Daudin beschreef de soort in 1800 als Falco ranivorus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Circus werd in 1799 ingevoerd door De Lacépède. Circus komt van het Griekse kirkos, een deels mythische havik die naar zijn cirkelende vlucht werd genoemd (van kirkos, 'cirkel'). ranivorus komt van het Latijnse rana, 'kikker', en vorare, 'verslinden' — 'kikkereter', naar zijn leven in moerassen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zuid-Afrika.