Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Afrikaanse snip

Afrikaanse snip | Gallinago nigripennis

African Snipe | Agachadiza Africana

De Afrikaanse snip is de enige snip die in zuidelijk Afrika broedt. Hij leeft verscholen in drassige vleien en moerasranden en valt vooral op wanneer hij met een schorre roep zigzaggend opvliegt, of in de broedtijd door zijn baltsvlucht met het blatende geluid van de staartpennen.

Afrikaanse snip (Gallinago nigripennis)
Foto: Derek Keats from Johannesburg, South Africa — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Bij het opvliegen een schor, raspend tsjuk of scaap. In de baltsvlucht duikt het mannetje schuin omlaag, waarbij de uitgespreide buitenste staartpennen een trillend, blatend hoe-hoe-hoe-hoe geven; dit 'blaten' is zowel overdag als 's nachts te horen. Op de grond ook een ritmisch tsjip-ie tsjip-ie.

Luister: VluchtroepXC709613

Opname: Tony Archer — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

28–32 cm. Een snip met een zeer lange, rechte snavel, ongeveer tweemaal zo lang als de kop. De kop heeft een lichte middenkruinstreep en brede lichte wenkbrauwstrepen tussen donkere kruin- en oogstrepen. De bovenzijde is donker met brede, roomkleurige mantelstrepen; hals en borst zijn warm bruin gevlekt, de buik is helder wit en scherp afgezet. De vleugels zijn opvallend donker, van onderen vrijwel zonder licht vlak, en hebben een smalle witte achterrand. De staart heeft veel wit aan de buitenste pennen. De vlucht is snel en zigzaggend.

Verwarrings­soorten

De watersnip Gallinago gallinago is zeer gelijkend, maar heeft een iets kortere snavel, een bredere witte achterrand aan de vleugel en een lichtere, gebandeerde ondervleugel; de buitenste staartpennen zijn smaller en bruiner. De poelsnip Gallinago media is gedrongener, met een gebandeerde buik, witte vleugelbanden en een zwijgende, trage vlucht. De goudsnip Rostratula benghalensis heeft een witte oogring, een licht gebogen snavel en brede, ronde vleugels.

Leefgebied

Drassige vleien, moerasranden met korte, dichte begroeiing, natte graslanden, bronmoerassen in het hooggebergte en oevers van dammen met rietranden. Foerageert door met de snavel diep in zachte modder te prikken. In Lesotho en de Drakensberg tot boven 3000 meter.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Wijdverspreid maar plaatselijk in het oosten en zuiden van het gebied: Zuid-Afrika (vooral het hoogveld, KwaZoeloe-Natal en de Oost- en West-Kaap), Lesotho, Eswatini, Zimbabwe, de hooglanden van Mozambique en Malawi, Zambia, Angola, en in Botswana en het noorden van Namibië vooral in de Okavangodelta en langs de rivieren. Ontbreekt in de droge westelijke helft. Buiten het gebied in de hooglanden van Oost-Afrika tot Ethiopië en in het oosten van Congo.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Loop langzaam door een drassige vleirand en wacht op de schorre roep bij het opvliegen. In de broedtijd, vooral van juli tot oktober, is het blaten boven een vlei de beste manier om de soort vast te stellen. Bij droogte concentreren vogels zich rond de laatste natte plekken, waar ze soms openlijk in de modder foerageren.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Plaatselijk achteruitgegaan door ontwatering en omzetting van vleien naar landbouwgrond, overbeweiding en de aanleg van dammen die natte randen onder water zetten. Waar vleien beschermd zijn, zoals in hoogveld- en Drakensberggebieden, is de soort nog vrij algemeen.

Wetenschappelijke naam

Gallinago nigripennis | Bonaparte, 1839

Bonaparte beschreef de soort in 1839 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Gallinago werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Gallinago is Neolatijn voor 'snip', gevormd uit het Latijnse gallina 'hen' en het achtervoegsel -ago 'gelijkend op'. nigripennis komt van het Latijnse niger, 'zwart', en penna, 'veer, vleugel' — naar de donkere vleugels en bovendelen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kaap de Goede Hoop.