Alle soorten › Steltloperachtigen
Steltloperachtigen | Charadriiformes
Waders, gulls and terns | Limícolas, gaviotas y charranes
Uiterlijk hebben de leden van deze orde weinig gemeen — steltlopers, jacana's, renvogels en vorkstaartplevieren, meeuwen, sterns en schaarbekken; ze worden bijeengehouden door skeletkenmerken, zoals de bouw van het verhemelte, en door moleculair onderzoek. Vrijwel alle soorten leven aan water of op open terrein en hebben boven de ogen grote zoutklieren waarmee ze overtollig zout kwijtraken en zout water kunnen drinken; het verenkleed is dicht en waterafstotend en de vleugels zijn lang en spits, zodat veel soorten tot de verste trekkers ter wereld behoren. Een groot deel van de soorten die hier te zien zijn broedt in het noordpoolgebied en Siberië en is van augustus tot april aanwezig op de wadplaten, riviermondingen, zoutpannen en binnenlandse pannen; ze dragen die maanden een sober winterkleed en kleuren pas vlak voor vertrek uit. Het legsel telt hoogstens vier eieren, meestal in niets meer dan een kuiltje op de grond, en de jongen komen uit met open ogen en een donzen kleed.
Families in deze orde
- Plevieren | Charadriidae22 soortenGedrongen vogels met een grote kop, korte hals en een korte snavel die naar de punt toe verdikt is — bedoeld om prooi van het oppervlak te pikken, niet om in de bodem te steken. Ze foerageren met een kenmerkend patroon van rennen, stilstaan en pikken, ook in het donker, en veel soorten trillen met één voet op de natte bodem om prooi naar boven te laten komen. Zwarte banden over borst en kop breken het silhouet op kale grond, en de zwaardere kievitsoorten dragen daarbij vaak gele lellen om de snavelbasis en een scherpe spoor of knobbel op de vleugelboeg, waarmee ze bij het nest naar indringers uitvallen. Het legsel bestaat vrijwel altijd uit vier peervormige eieren, met de punten naar binnen in een kuiltje op kaal grind, zoutpankorst of kortgegraasd grasland; bij gevaar lokken de ouders een indringer weg met een gespeelde vleugelbreuk. De vleugelvorm loopt binnen de familie uiteen: lang en spits bij de soorten die tussen Siberië en de Afrikaanse kust heen en weer trekken, breed en rond bij de standvogels van het binnenland, die daardoor traag en wiekend vliegen.
- Grielen | Burhinidae2 soortenGrote gele ogen en een korte, stevige snavel met een verdikte punt: het zijn vogels van de schemering en de nacht, die overdag roerloos op de grond blijven en door hun zandbruine, gestreepte kleed nauwelijks van de bodem zijn te onderscheiden. De poten zijn lang, met een opvallend verdikt gewricht halverwege waaraan de groep zijn naam dankt, en dragen drie korte, dikke tenen zonder achterteen. Ze leven op droog, stenig of zanderig open terrein, vaak ver van water, en pakken lopend kevers, wormen, hagedissen en muizen. Het nest is een kuiltje met twee eieren; bij het invallen van de avond klinkt een ver dragende, klagende roep.
- Vorkstaartplevieren | Glareolidae8 soortenEen korte, op de rug gebogen snavel met een wijde bek verbindt twee heel verschillende manieren van leven binnen één familie: soorten die op lange, spitse vleugels en met een gevorkte staart insecten uit de lucht happen, en soorten die op lange poten over kale grond rennen en hun prooi al lopend oppikken. Alle horen thuis in droog, open terrein — steppe, opgedroogde modder, zandige rivieroevers — en de achterteen is klein of ontbreekt. Twee tot vier goed gecamoufleerde eieren worden zonder nestmateriaal op de kale bodem gelegd, bij de vliegend jagende soorten vaak in kolonies. De jongen lopen al snel mee, maar worden nog weken door de ouders gevoerd.
- Scholeksters | Haematopodidae2 soortenEen lange, zware, zijdelings afgeplatte snavel in oranjerood is het gereedschap van deze familie: hij wordt als een beitel tussen de kleppen van een schelpdier gedreven of als een hamer op de schelp gebruikt, en slijt in dat werk zo snel dat hij voortdurend aangroeit. Daarbij horen korte, stevige poten met drie tenen, een rode oogring en een verenkleed dat zwart-wit of geheel zwart is en bij beide geslachten gelijk. Anders dan bij vrijwel alle andere steltlopers zoeken de jongen hun eten niet zelf: het openen van schelpen vraagt zo veel oefening dat de ouders ze maandenlang blijven voeren. Het legsel bestaat uit twee of drie eieren in een kuiltje, en de vogels laten zich horen in luidruchtige, doordringende fluitconcerten, waarbij groepjes met ingetrokken hals en de snavel omlaag rondlopen.
- Meeuwen en sterns | Laridae36 soortenDrie volledig door zwemvlies verbonden voortenen en een kleine, hoog geplaatste achterteen: deze vogels kunnen op het water rusten, en dankzij zoutklieren boven de ogen ook zeewater drinken. Binnen de familie staan twee bouwvormen naast elkaar: zwaardere vogels met een stevige, aan de punt licht gehaakte snavel, die vrijwel alles eten wat ze te pakken krijgen, en slankere vogels met een dunne, spitse snavel die ze biddend omlaag gericht houden om zich daarna in het water te laten vallen. Ze broeden vrijwel altijd in kolonies op de grond, met één tot drie gevlekte eieren; de donzige jongen blijven bij het nest en worden door beide ouders gevoerd, anders dan de zelf foeragerende jongen van de steltlopers. De meeste soorten ruien twee keer per jaar en hebben in de winter een andere koptekening; bij de grootste soorten duurt het twee tot vier jaar voordat het volwassen kleed compleet is.
- Kluten | Recurvirostridae2 soortenBuitengewoon lange poten en een dunne, buigzame snavel, recht of naar boven gebogen: waadvogels die tot aan de buik in ondiep, vaak zilt water lopen. Tussen de voortenen zit zwemvlies, zodat ze ook zwemmend kunnen foerageren; de ene bouw pikt prooien een voor een van het oppervlak, de andere maait met de half geopende snavel zijwaarts door het water en voelt wat er tussen de snavelhelften komt. Het verenkleed is bij alle soorten een scherp patroon van zwart en wit, dat tussen zomer en winter nauwelijks verandert. Ze broeden in losse kolonies op kale grond vlak bij het water, leggen drie tot vier eieren in een kuiltje en verjagen indringers luid roepend en in duikvluchten.
- Goudsnippen | Rostratulidae1 soortSnipachtige moerasvogels met een lange, aan de punt licht naar beneden gebogen snavel en brede, ronde vleugels die het vliegbeeld traag en uilachtig maken. Om het oog loopt een brede lichte bril die tot achter de oorstreek doorloopt, en over de schouder een lichte bretel die de vogel in het riet in stukken breekt. Ook hier zijn de rollen omgedraaid: het vrouwtje is groter en dieper gekleurd, met een warm kastanjebruine hals, en het is haar lage, herhaalde hoempen dat 's avonds boven het moeras uit komt. Zij paart met meerdere mannetjes; elk mannetje broedt zijn eigen legsel uit en leidt de jongen. Ze zoeken hun voedsel schemerig en tastend in de modder, met de snavel half open, en vertrouwen bij gevaar eerst op stilstaan.
- Strandlopers en snippen | Scolopacidae35 soortenDe snavel is niet alleen lang en gevoelig, maar ook beweeglijk: van de bovensnavel kan alleen de punt worden opgelicht, zodat de vogel een worm diep in de modder kan grijpen zonder zijn snavel over de hele lengte te openen. Lengte en kromming verschillen sterk per soort, waardoor vogels die naast elkaar op hetzelfde wad foerageren elk een andere diepte en een ander prooidier bereiken. Het verenkleed is grijsbruin en fijn getekend en verandert twee keer per jaar ingrijpend: een opvallend broedkleed en een onopvallend winterkleed. Vier peervormige eieren in een kuiltje, jongen die vanaf de eerste dag hun eigen kost zoeken, en buiten de broedtijd grote zwermen die gelijktijdig draaien boven de getijdenplaten.
- Jagers | Stercorariidae6 soortenMeeuwachtig van vorm, maar met een zwaardere borst, een sterk gehaakte snavel die uit afzonderlijke hoornplaten bestaat met een washuid over de basis, en scherpe, gekromde nagels aan de zwempoten; vrouwtjes zijn groter dan mannetjes. Het verenkleed is bruin of grijsbruin, bij verschillende soorten met een lichte en een donkere kleurvorm naast elkaar, en aan de basis van de handpennen zit een witte vlek die in de vlucht oplicht. Ze leven grotendeels van wat andere zeevogels vangen: in lange achtervolgingsvluchten dwingen ze meeuwen en sterns hun prooi los te laten, en daarnaast eten ze eieren, jongen en aas. Ze broeden op open toendra en heide, leggen twee eieren in een kuiltje en verdedigen dat met stootduiken; de rest van het jaar brengen ze op zee door.
- Vechtkwartels | Turnicidae3 soortenKleine, gedrongen loopvogels die op kwartels lijken maar het niet zijn: ze horen bij de steltloperorde, en de gelijkenis is een kwestie van hetzelfde werk in hetzelfde gras. Aan de voet ontbreekt de achterteen, zodat er maar drie tenen naar voren staan — vandaar de wetenschappelijke naam. De rollen zijn omgekeerd. Het vrouwtje is groter en feller getekend, bezet een territorium en lokt met een diepe, ver dragende brom die ze met opgeblazen krop voortbrengt; ze legt haar eieren en trekt verder naar een volgende partner. Het mannetje broedt alleen, in een kuiltje onder een graspol, en leidt de jongen. Die zijn nestvlieders en kunnen na twee weken al fladderen — sneller dan bij vrijwel elke andere vogel. Ze vliegen zelden en kort, laag over het gras, en laten zich liever wegdrukken dan opvliegen.
- IJshoenders | Chionidae2 soortenKleine familie van twee soorten, de enige vogelfamilie die volledig beperkt is tot Antarctica en de subantarctische eilanden. De Kleine ijshoen broedt onder meer op de Prins Edwardeilanden. De Grote ijshoen trekt 's winters naar Patagonië en bereikt de Zuid-Afrikaanse kust soms als dwaalgast, vaak meegelift op schepen. Het zijn gedrongen, duifachtige vogels met een volledig wit verenkleed. Ze danken hun naam aan een hoornige schede die als een zadel over de basis van de bovensnavel ligt. Daarnaast hebben ze naakte, wratachtige huid rond het oog en een benige spoor op de vleugelbocht. Als enige vogels van de Zuidelijke Oceaan hebben ze geen zwemvliezen. Ze leven vrijwel alleen op het land, lopen met een kippenachtige tred en vliegen alleen als het nodig is. IJshoenders eten wat ze vinden: aas, placenta's van zeehonden, uitwerpselen, wier, ongewervelden van de vloedlijn en eieren en kuikens van pinguïns. Ook bespringen ze pinguïns die hun jongen voeren, zodat die de opgebraakte krill laten vallen. Paren verdedigen een territorium binnen een pinguïnkolonie en nestelen in een rotsspleet. Meestal overleeft maar één van de twee of drie kuikens. De familie is een oude, geïsoleerde tak binnen de steltlopers en is waarschijnlijk het nauwst verwant aan de Magelhaenplevier.
- Krabplevieren | Dromadidae1 soortDeze familie telt één soort, de Krabplevier, een opvallende zwart-witte steltloper van de kusten van de Indische Oceaan. Hij broedt rond het Arabisch Schiereiland en in de Hoorn van Afrika. Buiten de broedtijd zwermt hij uit langs de Oost-Afrikaanse kust tot Mozambique en Madagaskar; verder zuidelijk is hij zeldzaam. Met zijn lange grijze poten, rechtopstaande houding en forse kop lijkt hij eerder op een kleine meeuw dan op een plevier. Het meest kenmerkende is de zware, zwarte, dolkvormige snavel. Daarmee kraakt hij het pantser van krabben of pikt hij ze in stukken, en zo nodig slikt hij ze in hun geheel door. Hij foerageert op wadplaten, riffen en mangroveranden. Hij stemt zijn activiteit af op het tij en is vaak in de schemering en 's nachts bezig. Ook het broeden is uitzonderlijk. De vogels nestelen in dichte kolonies op zandige eilanden en graven daar gangen van soms meer dan een meter lang. Aan het eind leggen ze één wit ei, een zeldzaamheid onder steltlopers. Het kuiken blijft lang in de gang en wordt door de ouders gevoerd, in plaats van direct zelf voedsel te zoeken. Groepen laten luide, blaffende roepen horen. DNA-onderzoek plaatst de soort bij de renvogels en vorkstaartplevieren, maar als eigen, oude tak.
- Jacana's | Jacanidae2 soortenKleine familie van acht soorten in tropische zoetwatermoerassen wereldwijd. In deze regio komen de Afrikaanse jacana en de Dwergjacana voor. Hun bekendste kenmerk zijn de extreem lange tenen en nagels. Daardoor verdelen ze hun gewicht over een groot oppervlak en kunnen ze lopen over waterlelies, waterhyacint en ander drijvend groen. Het lichaam is compact en de vlucht is kort en fladderend, met bungelende poten. Ze eten insecten, slakken en andere ongewervelden die ze van bladeren pikken of onder omgeslagen bladranden vandaan halen. Soms eten ze ook zaden. Bij de Afrikaanse jacana zijn de geslachtsrollen omgedraaid. Het vrouwtje is duidelijk groter dan het mannetje, bezet een groot territorium en paart met meerdere mannetjes. Voor elk van hen legt ze een legsel. Het mannetje bouwt een drijvend, vaak nauwelijks zichtbaar nestje en broedt de vier glanzende, zwart bekraste eieren alleen uit. Ook de kuikens voedt hij alleen op. Bij gevaar neemt hij ze onder zijn vleugels, waarna alleen nog een bundel pootjes onder zijn lijf uitsteekt. Bij de Dwergjacana is deze rolomkering veel minder uitgesproken. De roepen zijn raspend, krakend en snaterend. De naaste verwanten zijn de goudsnippen.
- Krokodilwachters | Pluvianidae1 soortDe familie bestaat uit één soort, de Krokodilwachter, een bewoner van zandbanken in grote rivieren in de tropische gordel van Afrika. Hij komt voor van Senegal tot Ethiopië en zuidwaarts tot het Kongobekken en het noorden van Angola. De tekening is onmiskenbaar. De bovenkop, een brede oogstreep, de mantel en een borstband zijn zwart, en daartegen steken witte wenkbrauwstrepen af. De vleugels zijn blauwgrijs en de buik is warm oranjebeige. In de vlucht toont hij een opvallend zwart-wit vleugelpatroon. Hij loopt snel over het zand en pikt insecten, wormen en weekdieren op. Het broeden wijkt sterk af van dat van andere steltlopers. De twee of drie eieren worden in een kuiltje in het hete zand begraven. De ouders zitten er niet op zoals andere vogels: overdag houden ze de temperatuur op peil door schaduw te geven en er zand over te harken. Bij grote hitte weken ze hun buikveren in de rivier en laten ze het water op het zand druppelen om de eieren te koelen. Ook de kuikens worden bij gevaar met zand bedekt. Het verhaal dat de vogel tussen de tanden van krokodillen naar voedsel zoekt, gaat terug op Herodotus, maar is nooit betrouwbaar vastgelegd. De soort werd vroeger bij de renvogels ingedeeld. Nu geldt hij als een aparte, oude tak binnen de plevierachtigen, waarvan de precieze plaats nog onzeker is.