Alle soorten › Zangvogels › Batissen en lelogen › Angolese lelvliegenvanger
Angolese lelvliegenvanger | Platysteira albifrons
White-Fronted Wattle-Eye | Batis Carunculado Frentiblanco
De Angolese lelvliegenvanger is een endeem van het westen van Angola, een weinig bekende lelvliegenvanger van droog bos en struweel in de kustvlakte en aan de voet van het escarpement. Hij lijkt op de bruinkeellelvliegenvanger, maar heeft een opvallend wit voorhoofd.
Geluid
Heldere, fluitende tonen in korte reeksen, vergelijkbaar met die van de bruinkeellelvliegenvanger, en harde klikkende tsjik-roepen. Het repertoire is slecht beschreven.
Opname: Niall Perrins — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
12–13 cm. Het mannetje is van boven glanzend zwart met een wit voorhoofd, een grijzige kruin en een witte vleugelstreep, en van onderen wit met een zwarte borstband. Het vrouwtje lijkt op het mannetje, maar is doffer en grijzer op kop en rug. Beide seksen hebben een rode oogwatel boven het oog. Jonge vogels zijn bruiner van boven, met een vage, roestige borst.
Verwarringssoorten
De bruinkeellelvliegenvanger Platysteira cyanea van het noorden van Angola mist het witte voorhoofd; het vrouwtje heeft een kastanjebruine keel. De zwartkeellelvliegenvanger Platysteira peltata heeft een zwart voorhoofd, en het vrouwtje een geheel zwarte keel. De Angolese vliegenvanger Batis minulla is kleiner, met een geel oog zonder lel en een grijze rug.
Leefgebied
Droog bos, galerijbos en dicht struweel in de kustlaagte en op de lagere hellingen van het escarpement, vaak langs droge rivierbeddingen en in baobab- en euphorbiabos. Foerageert in paren in de middelste en lagere lagen op insecten.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Endemisch voor het westen van Angola, van Cuanza Norte en het gebied rond Luanda en Kissama zuidwaarts door Cuanza Sul tot in Benguela. Buiten Angola komt de soort niet voor.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Jaarrond. Het Nationaal Park Kissama en de droge bossen aan de voet van het escarpement bij Gabela en Sumbe zijn de bekendste plekken. Zoek in dicht struweel langs droge rivierbeddingen en let op de fluittonen; het witte voorhoofd is het beste kenmerk.
Staat van instandhouding
Gevoelig. Het verspreidingsgebied is klein en het droge bos in de kustvlakte verdwijnt door kap voor houtskool en landbouw. De soort komt deels voor in beschermde gebieden, maar de handhaving is daar beperkt.
Wetenschappelijke naam
Platysteira albifrons | Sharpe, 1873
Sharpe beschreef de soort in 1873 als Platystira albifrons; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Platysteira werd in 1830 ingevoerd door Jardine & Selby. Platysteira komt van het Griekse platus, 'breed', en steira, 'kiel van een schip' — naar de brede, afgeplatte snavel. albifrons komt van het Latijnse albus, 'wit', en frons, 'voorhoofd' — naar het witte voorhoofd. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit rivier de Loge, Angola.

