Alle soorten › Zangvogels

Zangvogels | Passeriformes

Passerines | Paseriformes

Je herkent deze vogels aan de voet: drie tenen naar voren, één krachtige achterteen op dezelfde hoogte, met een pees die zich vanzelf strak trekt zodra het been buigt, zodat een slapende vogel op zijn tak blijft zitten. De stemkop is ingewikkeld gebouwd, met meerdere paren spieren, en daaraan danken de meeste soorten hun uitgewerkte zang; in zuidelijk Afrika zingen bij een groot deel van de families man en vrouw samen, in duetten die zo strak op elkaar aansluiten dat ze als één vogel klinken. Het zijn vrijwel allemaal kleine vogels die een nest bouwen en daarin naakte, blinde jongen grootbrengen, die door beide ouders worden gevoerd en het nest pas na dagen verlaten. Bij veel soorten van deze streek blijven jongen van een vorig legsel als helpers bij het broedpaar, en bij een reeks families wordt het legsel geparasiteerd door koekoeken of door wida's. Ruim de helft van alle vogelsoorten van het gebied staat in deze orde, van families die over de hele Oude Wereld verspreid zijn tot enkele die alleen hier voorkomen.

Families in deze orde

  • Suikervogels | Promeropidae2 soortenTwee soorten in één geslacht vormen deze familie, die daarmee wereldwijd tot zuidelijk Afrika beperkt blijft. Het zijn grote, slanke zangvogels met een lange, sterk gebogen snavel en een smalle, sterk getrapte staart die bij het mannetje het lichaam ver overtreft en in de vlucht achter de vogel aan golft; het verenkleed is dof bruin gestreept, met een gele onderstaartdekveren en bij de ene soort een roestbruine borstband. De tong is aan de punt gerafeld tot een borstel en over een deel van haar lengte tot een goot opgerold, waarmee nectar uit diepe bloemen wordt gehaald; het dieet wordt aangevuld met de insecten en spinnen die in diezelfde bloemhoofden zitten. De binding aan de fynbos en aan Protea is nauw: de vogels foerageren, zingen en broeden in bloeiende protea's, dragen daarbij stuifmeel op kop en keel van bloemhoofd naar bloemhoofd, en leggen hun eieren in de zuidelijke winter, wanneer die struiken in bloei staan. De ene soort houdt de kustnabije fynbos van het zuidwesten aan, de andere de protea- en ericavelden van de hogere oostelijke berghellingen. Het nest is een open kom van fijne twijgjes en varenpluis, diep in een struik verborgen; de zang is een raspende, krakende reeks, voorgedragen vanaf een bloemhoofd en onderbroken door klappende vleugelslagen en het opzwiepen van de staart.
  • Honingzuigers | Nectariniidae44 soortenKleine, spitse vogels met een dunne, gebogen snavel en een tong die aan de punt tot een buisje is opgerold en in franjes eindigt: daarmee wordt nectar uit de bloem gezogen zoals door een rietje. Bij bloemen met een te lange kroonbuis wordt de bloembodem van buitenaf doorboord, zodat de nectar wordt genomen zonder dat de vogel de bestuiver is. Anders dan de kolibries, waarop ze uiterlijk lijken maar waaraan ze niet verwant zijn, blijven ze bij het drinken bijna altijd zitten; ze klemmen zich aan de bloemsteel vast en bidden hooguit een tel. Het glanzende blauw, groen en purper van de mannetjes is geen pigment maar structuurkleur — laagjes in de veer die het licht breken, zodat de vogel bij het draaien van zwart naar metaal omslaat; aan weerszijden van de borst zitten vaak felgekleurde pluimpjes die alleen bij balts of dreiging worden uitgeklapt. Verscheidene soorten dragen buiten de broedtijd een dof, vrouwelijk gekleurd kleed, en bij een aantal is de staart bij het mannetje met twee verlengde middelste pennen uitgerust. Het nest is een hangend zakje van plantenvezel en spinrag met een zijingang en een afdakje, door het vrouwtje alleen gebouwd en bij veel soorten van buiten beplakt met rupsenspinsel, plantenpluis en korstmos; het legsel wordt geregeld door koekoeken van het geslacht Chrysococcyx geparasiteerd. De verspreiding volgt de bloei: van de aloë's en ericas van het winterregengebied tot de bloeiende bomen van het miombo- en kustbos, waar de vogels de hele dag door hun territorium bij de rijkste bloemenstruik verdedigen.
  • Wevers | Ploceidae51 soortenKleine tot middelgrote zaadeters met een korte, zware kegelsnavel en stevige poten, die hun nest niet stapelen maar knopen. Het mannetje begint met een ring: hij scheurt een smalle reep uit een gras-, riet- of palmblad, slaat die om een stengel of een dunne tak en trekt het uiteinde met de snavel door de lus; vanaf die ring werkt hij naar voren en naar achteren verder tot er een gesloten bol staat, met de opening onderin en bij een aantal soorten een tuit van tientallen centimeters eronder. Snavel en poot dienen daarbij als weefgetouw, en het werk kost twee tot drie dagen; het vrouwtje bouwt niet mee maar keurt en bekleedt de binnenkant, en keurt zij af, dan wordt het nest afgebroken en opnieuw begonnen. Niet alle leden van de familie weven: de buffelwevers stapelen een massa doornige takken rond de kroon van een baobab of een mast, en de republikeinwever bouwt met vele paren samen één permanente grashoop van soms honderden kilo's onder een boomkroon of een paal, met tientallen afzonderlijke ingangskokers aan de onderzijde, waarin de kolonie ook buiten de broedtijd slaapt. Bij de bisschoppen en wida's van het geslacht Euplectes ruit het mannetje in de regentijd naar een kortstondig zwart met rood, geel of oranje kleed, met opgezet rug- en stuitdons of met sterk verlengde staartpennen, en valt het daarna terug in een gestreept, muskleurig kleed dat nauwelijks van het vrouwtje te onderscheiden is. De familie broedt in kolonies, van enkele nesten in een doornboom tot broedplaatsen van miljoenen paren in riet of doornstruweel; de kolonies trekken roofvogels, slangen en de diederikkoekoek aan, die zijn ei bij een reeks soorten van deze familie legt.
  • Rotsspringers | Chaetopidae2 soortenEen monotypische familie: één geslacht met twee soorten, die samen de hele familie uitmaken en die beide tot Zuid-Afrika en Lesotho beperkt zijn. Moleculair staat de groep geïsoleerd, zonder nauwe verwanten binnen de zangvogels; de dichtstbijzijnde bekende verwanten leven in Azië en op Madagaskar. Het zijn forse, lijsterachtige vogels met lange, krachtige poten, een stevige zwarte snavel en een lange, getrapte staart die bij het lopen omhoog wordt gehouden. Het mannetje heeft een zwarte kop met een brede witte baardstreep en witte wenkbrauwstreep, een leigrijze rug en een roestrode tot oranje onderzijde; het vrouwtje is doffer, met grijs op de kop en een bleker, meer okerkleurig onderlichaam. Ze bewegen zich springend en rennend over rotsblokken en steenpuin, met horten en stoten en de staart geschokt; de vlucht is kort en zwak en wordt vermeden, en bij verstoring verdwijnen ze tussen de stenen. Ze leven in territoriale groepjes waarin jongen van eerdere legsels als helpers aan het voeren bijdragen, en bouwen een grote, open kom van grashalmen op de grond, verscholen onder een overhangend rotsblok of in een pol restio of vezelgras. Het leefgebied is scherp begrensd: de ene soort in de bergfynbos met rotspuin van het zuidwestelijke Kaapse bergland, de andere in het alpiene graslandhooggebergte van de Drakensbergen en Lesotho, doorgaans boven tweeduizend meter. Het geluid is een dunne, hoge, ver dragende fluittoon die over de helling weerkaatst en de vogel eerder verraadt dan het zicht.
  • Tsjagra's en bosklauwieren | Malaconotidae23 soortenKlauwierachtige zangvogels van struweel, doornbos en bosrand, met een zware, aan de punt gehaakte snavel en stevige poten waarmee ze grote insecten, hagedissen en jonge vogels vastzetten. Anders dan de echte klauwieren zitten ze zelden op een open uitkijkpost; ze schuifelen door het dichtste deel van de struik en zijn veel vaker te horen dan te zien. Het geluid is het kenmerk van de familie: heldere gefloten reeksen die man en vrouw als een duet in elkaar schuiven, zo strak op elkaar aansluitend dat het als één vogel klinkt, bij sommige soorten aangevuld met een raspend of klikkend antwoord van het vrouwtje — een manier om in dekking het territorium te verdedigen en het paar bijeen te houden. Het verenkleed loopt uiteen van egaal zwart met wit op de vleugel tot groen met een geel, oranje of hoogrood borstschild, en een aantal soorten draagt een zwarte kopkap of een zwart masker; de oogkleur — geel, rood of wit — is bij verscheidene geslachten een bruikbaar kenmerk. De mannetjes van de poederdonsklauwieren zetten bij baltsvluchtjes een dikke witte donspluim op rug en stuit op, zodat de vogel als een bol boven de tak lijkt te zweven, begeleid door een klikkende vleugelslag. Het nest is een kleine, ondiepe kom van twijgjes en wortelvezel in een vork, vaak zo dun dat de eieren van onderaf zichtbaar zijn; de vlucht is kort en zwaar, van struik naar struik.
  • Vliegenvangers en tapuiten | Muscicapidae68 soortenWat deze vogels uiterlijk delen is beperkt: dat ze bij elkaar staan berust vooral op de bouw van de schedel en op erfelijke gegevens, waardoor de vliegenvangers en de vroeger bij de lijsters geplaatste tapuiten, rotslijsters, roodborstlijsters en waaierstaarten nu in één familie horen. De gemene deler is een klein lichaam met een dunne, spitse snavel met borstelharen aan de basis, en insectenvangst vanaf een uitkijkpost: de een schiet omhoog achter een vliegend insect aan, de ander valt vanaf een lage post op de grond en keert met een sprong naar dezelfde post terug. In de droge westelijke helft van het gebied wordt de familie vertegenwoordigd door bleke, langpotige tapuiten van karoo, kale vlakte en rotspuin, die met de staart wippen en de vleugels laten hangen; in het oostelijke bos en kloofbos door roodborstlijsters met een oranje onderzijde en een grijze of zwart-witte koptekening, die uitstekende nabootsers zijn en de roep van andere vogels in hun zang opnemen. Opvallend veel soorten dragen kleur in de staart — roestrood, wit aan de zijkanten of een zwart-witte tekening — en tonen die met een schok bij het neerstrijken. Ze broeden in holtes, spleten en zelfgegraven of overgenomen gangen in aardwanden en termietenheuvels, of in een goed verstopte kom; verschillende soorten worden geparasiteerd door koekoeken, en sommige leven in groepjes met helpers. Naast de standvogels, die het grootste deel van de familie uitmaken, is er in de zuidelijke zomer een aanvulling van soorten die in Eurazië broeden en hier de winter doorbrengen.
  • Rietzangers | Acrocephalidae12 soortenEffen bruine tot olijfgroene zangers zonder vleugelstrepen, met een lange, aan de basis brede en platte snavel met borstelharen, een vloeiend aflopend voorhoofd en lange tenen waarmee ze twee verticale stengels tegelijk vastgrijpen. Ze klimmen en kruipen in dichte oevervegetatie en struweel en laten zich vooral kennen aan de zang: een luid, ritmisch en krassend geratel met veel herhalingen en veel nagebootste soorten, dag en nacht voorgedragen. Het nest is een diepe cilindrische korf, om rechtopstaande stengels heen geweven zodat hij in de wind kan meebewegen zonder om te vallen. Alle Europese soorten trekken over lange afstand naar Afrika en zijn hier maar drie tot vier maanden.
  • Leeuweriken | Alaudidae30 soortenGrondvogels in bruin en zandkleur met streping, gebouwd om te lopen en niet om te huppen: de achternagel is lang en vrijwel recht, en de achterkant van de loopbeen draagt een rij losse schubben in plaats van de gladde plaat die andere zangvogels daar hebben. Vrijwel alle soorten zingen in de lucht, klimmend of biddend, soms minutenlang achtereen boven een territorium zonder zangpost. Het nest is een kuiltje op kale grond, met gras bekleed; de jongen lopen weg voordat ze kunnen vliegen, wat het aantal verliezen bij een enkele maaibeurt beperkt. De snavel loopt uiteen van kort en zwaar voor zaad tot lang en gebogen om in de bodem te wroeten.
  • Graszangers | Cisticolidae69 soortenKleine zangers van gras, moeras en laag struweel, meestal warmbruin en op de bovendelen gestreept, met korte ronde vleugels en een trapsgewijze staart die vaak omhoog wordt gehouden en in het broedkleed korter is dan in de winter. Kenmerkend is het nest: levende grasbladen of blaadjes worden met spinrag en rupsenzijde aaneen gehecht tot een verborgen peertje, dat blijft meegroeien met de plant waarin het hangt. De zang is eenvoudig en eindeloos herhaald, meestal voorgedragen in een golvende baltsvlucht over het territorium, want zangposten zijn er in dit terrein niet. Het zwaartepunt van de familie ligt in Afrika; in Europa reikt maar een enkele soort tot de kust van de Middellandse Zee en noordelijker.
  • Kraaiachtigen | Corvidae4 soortenDe grootste en zwaarstgebouwde zangvogels, met een krachtige snavel voor alle werk, borstelveertjes over de neusgaten en stevige poten waarmee ze zowel lopen als huppen. Ze eten vrijwel alles, verstoppen voedsel voor later en onthouden waar het ligt; hun hersenen zijn naar verhouding de grootste van alle vogels, wat te zien is aan het gemak waarmee ze werktuigen, kadavers en menselijke gewoonten benutten. Een echte zang ontbreekt — de roep is hard en schor — maar veel soorten bootsen andere geluiden na. De partners blijven jaren bij elkaar, bouwen een omvangrijk takkennest en zien er onderling gelijk uit.
  • Gorzen | Emberizidae5 soortenOok zaadeters met een kegelsnavel, maar anders gebouwd dan bij de vinken: de bovensnavel is smaller dan de onder, met golvende sneden, en in het gehemelte zit een harde knobbel waartegen het zaad wordt gerold en gepeld; de mondhoek maakt bovendien een duidelijke knik. Het zijn vogels van open land — akkers, heide, ruigte, berghellingen — die op of vlak boven de grond foerageren en hun jongen wel met insecten grootbrengen. Vrouwtjes en jonge vogels zijn bruin en gestreept, mannetjes dragen een scherp getekende kop; in de vlucht valt de vrij lange staart met witte buitenste pennen op. De zang is kort, droog en eentonig herhaald vanaf een lage uitkijkpost, en het nest staat op de grond of laag in de vegetatie.
  • Prachtvinken | Estrildidae41 soortenKleine tot zeer kleine zaadeters met een korte, dikke kegelsnavel — bij veel soorten fel koraalrood, bij andere zilvergrijs of blauwzwart — en een gedrongen lijf met korte, ronde vleugels en een snelle, licht golvende vlucht. Ze leven het hele jaar in troepen en halen hun voedsel van de zaadpluim zelf: klauterend, hangend, of de halm met het eigen gewicht omlaag buigend, en verder van de grond eronder. Het nest is een gesloten bal van dooreengevlochten grashalmen met een zijingang, vaak verlengd tot een korte toegangspijp, laag in een graspol, een doornstruik of dicht riet; beide ouders bouwen en broeden om beurten. De jongen dragen achter in de opengesperde bek een vast patroon van zwarte stippen en strepen, met aan de mondhoeken gekleurde knobbels die in het donker van de nestbal oplichten en de ouders wijzen waar het voer heen moet. Dat voer is zaad dat de ouders opgeweekt in de krop aanvoeren en jong voor jong uitgeven.
  • Vinkachtigen | Fringillidae21 soortenDe kegelvormige snavel is het kenmerk: het zaad wordt niet doorgeslikt maar gepeld, geklemd in een groef in het gehemelte terwijl de ondersnavel het vlies eraf schuift. Hoe zwaarder de snavel, hoe harder de pit die eraan moet geloven, zodat de vorm van soort tot soort verraadt waarop de vogel is aangewezen. Buiten de broedtijd zwerven ze in troepen door zaadrijke akkers, bossen en oevers, met een golvende vlucht en aanhoudende contactroepjes waaraan ze op afstand te herkennen zijn. Anders dan de meeste zangvogels voeren veel soorten hun jongen niet met insecten maar met opgebraakt zaad, dat ze in een uitstulping van de slokdarm meedragen.
  • Zwaluwen | Hirundinidae25 soortenVogels die hun voedsel uitsluitend in de lucht vangen, en daar helemaal op gebouwd zijn: lange spitse vleugels, een zeer korte platte snavel met een enorme mondspleet, en kleine zwakke pootjes met korte loopbenen, waarmee ze wel kunnen zitten maar nauwelijks lopen. Drinken en baden doen ze scherend over het water. Het nest is een kommetje of gesloten pot van modderpakketjes tegen een wand, een zelfgegraven gang in een steile oever, of een holte — vaak in kolonies bij elkaar. Het zijn trekvogels die zich in de nazomer boven riet en draden verzamelen; anders dan de gierzwaluwen, waar ze in de lucht op lijken, zijn het gewone zangvogels die op een draad gaan zitten.
  • Klauwieren | Laniidae9 soortenEen haaksnavel met een tandje in de snijrand van de bovensnavel, waarmee de prooi in de nek wordt gedood: dit zijn zangvogels die als roofvogel jagen, maar met gewone zangvogelpoten die de prooi niet kunnen vasthouden. Daarom spietsen ze insecten, hagedissen en muizen op doorns of prikkeldraad, om ze vast te zetten en ze als voorraad te bewaren. Ze zitten stil en rechtop op een uitkijkpost boven open terrein met verspreide struiken, en vallen van daaruit omlaag; het zwarte oogmasker, de grote kop en de lange staart horen bij vrijwel iedere soort. Het nest is een stevige kom diep in een doornstruik.
  • Lachvogels | Leiothrichidae5 soortenMiddelgrote zangvogels van de dichte ondergroei in Aziatische bossen, met stevige poten, korte afgeronde vleugels en een lange getrapte staart: vogels die meer klimmen en huppen dan vliegen. De snavel is krachtig en licht gebogen, en dient evengoed voor insecten als voor vruchten, die op de grond en in het struweel worden gezocht. Ze leven vrijwel het hele jaar in luidruchtige groepjes, poetsen elkaar de kop en helpen bij elkaars broedsels; het geluid is een aanhoudend gekwetter en gekakel dat bij veel soorten in een gezamenlijk koor overgaat, en waaraan de lachvogels hun naam danken. Naast egaal bruine soorten staan er met fel getekende kop en vleugel. Het nest is een stevige kom laag in een struik.
  • Sprinkhaanzangers | Locustellidae8 soortenUiterst schuwe, bruine vogels die als een muis door de onderste laag van riet, ruigte en zeggen kruipen en liever wegrennen dan opvliegen. De bouw hoort daarbij: korte, ronde vleugels, een brede trapsgewijze staart en opvallend lange onderstaartdekveren. De zang is mechanisch — een gelijkmatig snorrend of tikkend geratel dat minutenlang wordt volgehouden en dat door het draaien van de kop lijkt te verschuiven, zodat de vogel moeilijk is te plaatsen. Het nest staat op of vlak boven de grond, verscholen onder overhangende stengels, en wordt lopend bereikt; de seksen zien er gelijk uit.
  • Kwikstaarten en piepers | Motacillidae28 soortenSlanke, langpotige zangvogels die lopen in plaats van huppen: de voet zet af, de kop knikt mee, en de lange staart wipt daarbij onophoudelijk op en neer — bij de kwikstaarten zo hard dat het hele lichaam meeveert. De snavel is dun, recht en spits, gemaakt om insecten van de grond, van natte stenen of uit de lucht te plukken; de poot is hoog en dun, en bij de piepers is de nagel van de achterteen sterk verlengd, bijna zo lang als de teen zelf, wat houvast geeft in gras en zegge. Twee gedaanten binnen één bouw: de kwikstaarten scherp getekend in zwart, wit, grijs en geel, de piepers bruin en gestreept en onderling vooral aan roep en vleugelformule te scheiden. Het nest is een kommetje op de grond, verstopt onder een pol of in een nis, en de zang gaat de lucht in: opstijgen, zingen, en in een dalende parachutevlucht weer neerkomen.
  • Wielewalen | Oriolidae6 soortenMiddelgrote kroonbewoners met een vrij zware, licht gebogen snavel met een haakje aan de punt, waarmee ze zowel behaarde rupsen als zacht fruit aankunnen. De mannetjes zijn fel geel of oranje met zwart, de vrouwtjes en jonge vogels groenig en fijn gestreept; juist dat felle geel valt in zonbeschenen bladeren nauwelijks op. Het nest is een hangende kom die als een hangmat tussen de twee armen van een horizontale takvork wordt geweven, hoog in loofbomen. Ze blijven in de kruin en verraden zich eerder met heldere fluittonen dan met een zichtbaar silhouet.
  • Mezen | Paridae8 soortenKleine, gedrongen vogels met een korte, sterke snavel en krachtige poten; ze foerageren acrobatisch aan de uiteinden van twijgen, ondersteboven hangend, en klemmen een zaad onder de voet om het open te hameren. Vrijwel alle soorten broeden in een holte en leggen daarin grote legsels — acht tot twaalf eieren is gewoon, meer dan bij de meeste zangvogels. Ze verstoppen voedsel in schorsspleten en mos en leven buiten de broedtijd in gemengde troepen die zich luidruchtig door het bos verplaatsen. De koptekening is bij elke soort scherp begrensd en vaste herkenningsgrond.
  • Mussen | Passeridae6 soortenGedrongen, kortpotige zaadeters met een zware kegelsnavel waarvan de snijranden een graankorrel openknijpen. In de tong zit een klein extra bot, het preglossale, dat als aambeeld dient: de korrel wordt tegen het gehemelte gedraaid, de schil eraf geschild en de kern doorgeslikt, en het hele karwei duurt een seconde. Volwassen vogels leven van zaad; de jongen worden met rupsen en bladluizen grootgebracht. Het nest is een slordige, overdekte bal van halmen, stro en veren, weggepropt in een holte — boomgat, muurspleet, dakpan of het verlaten nest van een andere soort — en staat meestal in losse kolonies, met twee tot vier legsels per jaar. Baden gebeurt in droog stof: de vogel schopt een kuiltje uit en werkt het zand door zijn verenkleed. Verscheidene soorten leven het hele jaar bij mensen, in dorpen, op erven, in steden en bij graanopslag, waar gemorst voer en de bebouwing zelf voedsel en nestholtes leveren.
  • Boszangers | Phylloscopidae4 soortenKleine, slanke zangertjes met een dunne, spitse snavel, groen tot grijsgroen van boven en licht van onder, meestal met een wenkbrauwstreep en soms met vleugelstrepen. Man en vrouw zijn gelijk en de soorten verschillen onderling zo weinig dat de eenvoudige, sterk herhaalde zang in de praktijk de betrouwbaarste kenmerk is. Ze zijn onafgebroken in beweging in de kroon en het struweel: bladeren afzoeken, bidden bij een bladpunt, een insect in de lucht grijpen. Het nest is overdekt, met de ingang opzij, op of vlak boven de grond, ook bij soorten die verder hun hele leven hoog in de bomen doorbrengen.
  • Buulbuuls | Pycnonotidae31 soortenMiddelgrote zangvogels met een zachte, losse, bijna donzige bevedering, een korte, dunne en licht gebogen snavel met stugge borstelharen aan de basis, en korte, zwakke poten: buulbuuls lopen nauwelijks en werken zich hippend door struikgewas. In de nek staan lange, haarachtige veren, en veel soorten kunnen de kruinveren tot een spitse kuif opzetten. Het voedsel bestaat voor het grootste deel uit vruchten, aangevuld met bloesem, nectar en insecten, waarmee ze in warme streken tot de belangrijkste zaadverspreiders horen. Ze leven in paren of luidruchtige groepjes langs bosranden, in struweel, boomgaarden en tuinen, zitten graag hoog en open en laten dan een korte fluitende of kwetterende reeks horen. Het nest is een tamelijk dunne kom in de vork van een struik of lage boom, waar beide ouders de jongen voeren.
  • Buidelmezen | Remizidae2 soortenZeer kleine vogels met een fijne, spits toelopende kegelsnavel waarmee ze kleine insecten, spinnen en zaden uit riet, wilg en populier pikken. Het kenmerk van de familie is het nest: een hangende beurs van plantenpluis en spinrag, vast om afhangende twijgen gevilt, met een korte instaptuit opzij, zodat er van onderaf niets bij kan. Aan zo'n nest wordt vaak wekenlang gebouwd, maar het broeden komt in de regel neer op één ouder: de andere verlaat het nest en begint elders opnieuw. Het geluid is een dun, ijl fluitje dat gemakkelijk over het hoofd wordt gezien.
  • Spreeuwen | Sturnidae20 soortenStevige vogels met een rechte, spitse snavel en krachtige poten; ze lopen doelgericht over de grond in plaats van te huppen. Voedsel zoeken ze door de gesloten snavel in de zode te steken en hem daar met kracht open te duwen — de kaakspieren zijn daarop gebouwd en de ogen staan zo ver naar voren dat de vogel langs de geopende snavel omlaag kan kijken. Het verenkleed is bij veel soorten metaalglanzend, een glans die uit de bouw van de veer komt en niet uit kleurstof, vaak met lichte stippen. Ze zijn uitgesproken groepsdieren: troepen op zoek naar voedsel, gezamenlijke slaapplaatsen, en broedholtes vlak bij elkaar; veel soorten zijn goede imitators.
  • Grasmussen | Sylviidae8 soortenSteviger gebouwd dan de boszangers, met een dikkere snavel en een krachtiger kop; het zijn vogels van struweel, doornhagen en macchia, die zich laag en gedekt verplaatsen. Veel soorten hebben een naakte oogring en een opvallend gekleurde iris, en de mannetjes dragen een donkere of contrastrijke kop terwijl de vrouwtjes bruiner blijven — bij zangvogels van deze grootte is dat verschil ongewoon. In de zomer eten ze insecten, maar vanaf de nazomer schakelen ze grotendeels over op vruchten, waarmee ze hun trekvet aanleggen en veel zaden verspreiden. Het nest is een keurig, dunwandig kommetje laag in een struik; mannetjes bouwen vaak meerdere onvoltooide nesten voordat er één in gebruik wordt genomen.
  • Lijsters | Turdidae10 soortenMiddelgrote vogels met een rechtop gedragen lijf, lange stevige poten en een matig lange, slanke snavel. Op de grond werken ze in korte etappes — een paar sprongen, stilstaan, luisteren en kijken, dan toeslaan — en in de nazomer en winter verschuiven ze grotendeels naar bessen en vallend fruit, wat verklaart waarom hele populaties bij vorst plotseling naar het zuidwesten opschuiven. De zang is luid en fluitend, met herhaalde motieven, en wordt vanaf een hoge, open post gebracht, vooral in de vroege ochtend en de schemering. Het nest is een stevige kom, bij veel soorten van binnen met modder bepleisterd; jonge vogels zijn gevlekt, ook als de ouders effen zijn.
  • Wida's | Viduidae9 soortenKleine zaadeters met een dikke, vaak koraalrode kegelsnavel, die zelf geen nest bouwen en geen jongen grootbrengen. Het vrouwtje legt haar witte eieren bij prachtvinken in het nest; het waardpaar broedt ze uit en voert het vreemde jong samen met de eigen jongen op, want er wordt niets uit het nest gewerkt. Dat kan doordat het jong tot in de details bij zijn waardvogel past: dezelfde stippen, vlekken en gekleurde knobbels achter in de opengesperde bek, dezelfde bedelhouding en hetzelfde bedelgeluid als de nestgenoten naast hem. Elke soort is daarbij aan een eigen kring van gastheren gebonden, en de mannetjes nemen de zang van hun waardvogel in het eigen repertoire op, zodat vrouwtjes bij de juiste soort terechtkomen. De mannetjes dragen in de broedtijd zwart, wit en soms verlengde staartpennen, waarmee zij boven het vrouwtje hangend baltsen; buiten de broedtijd zijn alle soorten musachtig gestreept en vrijwel alleen aan de snavelkleur te scheiden.
  • Ossenpikkers | Buphagidae2 soortenKleine familie van twee soorten, de Roodsnavel- en de Geelsnavelossenpikker, die hun hele leven verbonden zijn aan grote zoogdieren zoals buffels, neushoorns, giraffen, antilopen en vee. Met scherpe, sterk gebogen klauwen hangen ze aan de huid van hun gastheer. De stijve, spits toelopende staart dient daarbij als steun, zoals bij een specht. De zijdelings afgeplatte snavel beweegt als een schaar door de vacht. Zo eten ze teken, luizen en larven van horzels. Ze pikken echter ook bloed en weefsel uit open wonden, en houden die soms zelf open. Of de relatie per saldo gunstig is voor de gastheer, staat daarom nog ter discussie. Bij verstoring slaken ze een scherp, sissend geratel, dat ook de gastheer alarmeert. Ze nestelen in boomholten, die ze bekleden met haar dat ze van hun gastheren plukken. Vaak helpen extra vogels bij het grootbrengen van de jongen. Ossenpikkers zijn verwant aan de spreeuwen, maar vormen een aparte, vroeg afgesplitste tak.
  • Groene breedbekken | Calyptomenidae1 soortKleine familie met Afrikaanse breedbekken (Smithornis) en Aziatische groene breedbekken. In dit gebied komt alleen de Afrikaanse breedbek voor. Breedbekken horen bij de suboscines, een zeer oude tak van de zangvogels die zich afsplitste vóór de eigenlijke zangvogels ontstonden. In de Oude Wereld zijn er nog maar weinig families uit deze tak over, zoals de pitta's. Het is een gedrongen, grootkoppige vogel met een opvallend brede, platte snavel met een haakpunt. Onbeweeglijk zit hij in de schaduwrijke onderlaag van bos en dichte struwelen. Van daaruit schiet hij af op insecten en keert dan terug naar zijn zitplaats. Het mannetje valt het meest op door zijn baltsvlucht: een korte, horizontale cirkel van nog geen meter rond zijn tak. Gespecialiseerde slagpennen maken daarbij een mechanisch, snorrend 'frrrrrup'. Dat geluid is dus niet vocaal. De witte rugvlek wordt daarbij opgezet. Het nest is een peervormige buidel met een rafelige 'baard' van plantenmateriaal, die laag aan een tak hangt.
  • Rupsvogels | Campephagidae5 soortenMiddelgrote, slanke boomvogels van Afrika, Azië en Australië. In dit gebied zijn het zwarte rupsvogels (Campephaga) en grijze soorten (Ceblepyris). Kenmerkend voor de familie zijn de dichte stuitveren met stijve, stekelige schachten, die gemakkelijk loslaten; de precieze functie is niet zeker. Rupsvogels eten veel grote, behaarde rupsen, die andere vogels meestal laten liggen. Voordat ze een rups inslikken, slaan en wrijven ze hem tegen een tak om de brandharen en darminhoud te verwijderen. Bij Campephaga verschillen de seksen sterk. Mannetjes zijn glanzend blauwzwart, soms met een gele mondhoek of rode of gele schoudervlek. Vrouwtjes zijn olijfgeel met fijne dwarsbanden, wat aan een koekoek doet denken. Grijze soorten verschillen nauwelijks per sekse. Ze foerageren rustig en onopvallend in het bladerdak. Hun roep is meestal zacht, een hoog getril of fluitje, waardoor ze vaak over het hoofd worden gezien. Het nest is een klein, ondiep kommetje van mos en korstmos, gecamoufleerd in een horizontale vork.
  • Drongo's | Dicruridae4 soortenGlanzend zwarte, rechtop zittende vogels met rode ogen, een krachtige snavel en in veel gevallen een diep gevorkte staart, waarvan de buitenste pennen naar buiten krullen. Van de Oude Wereld tot Australië komen ongeveer dertig soorten voor. Vanaf een uitkijkpost schieten ze af op vliegende insecten en keren daarna terug naar dezelfde plek. Ze volgen graag grazend wild, vee en bosbranden om opgejaagde prooien te vangen. Drongo's zijn berucht strijdlustig. Kraaien, roofvogels en zelfs arenden die veel groter zijn dan zijzelf, worden luid scheldend achtervolgd, vooral in de buurt van het nest. De Vorkstaartdrongo is een uitzonderlijke imitator. Hij bootst de alarmroepen van andere soorten na. Bij stokstaartjes en babbelaars slaat hij soms vals alarm, waarna hij de achtergelaten prooi inpikt. Om de dieren te blijven misleiden wisselt hij daarbij van imitatie. Het nest is een ondiep, open kommetje dat onder in een horizontale vork hangt en fel wordt verdedigd.
  • Gele vliegenvangers | Erythrocercidae1 soortKleine Afrikaanse familie van drie soorten, alle uit het geslacht Erythrocercus; in dit gebied de Livingstone-vliegenvanger. Vroeger werden ze bij de monarchen of de vliegenvangers gerekend. DNA-onderzoek toonde aan dat ze een eigen tak vormen binnen de groep van zangers en verwanten. Het zijn kleine, zangerachtige vogeltjes met een fijne snavel en een relatief lange staart, overwegend olijfgroen en geel, bij sommige soorten met een roestrode staart of kruin. Ze zijn voortdurend in beweging: de staart wordt telkens gewaaierd en heen en weer gezwaaid, waarschijnlijk om insecten op te schrikken. Ze pikken kleine insecten en spinnen van bladeren en twijgen en vangen soms een prooi in een korte vlucht. Ze leven in het bladerdak en in dichte begroeiing van laaglandbos, oeverbos en struweel, vaak in kleine, luidruchtige groepjes, ook in gemengde zwermen. De zang is een snel, hoog getjilp en getril. Het nest is een bolvormig bouwsel van mos en vezels met een ingang aan de zijkant, dat aan een twijg hangt.
  • Hylia's | Hyliidae2 soortenKleine Afrikaanse familie van twee soorten, de Groene hylia en de Meeshylia, die pas na DNA-onderzoek als aparte familie werd erkend. De familie hoort bij de zangers en verwanten, met de struikzangers en de staartmezen als vermoedelijk naaste verwanten. Beide soorten leven in tropisch regenwoud en bosranden, met een verspreiding tot in het noorden van Angola en Zambia. De Groene hylia is een onopvallende, olijfgroene vogel met een lichte wenkbrauwstreep. Hij is moeilijk te zien in dicht gebladerte, maar verraadt zich door een luide, ver dragende fluittoon van twee of drie heldere noten. Met zo'n 8 centimeter is de Meeshylia een van de kleinste vogels van Afrika. Hij klautert acrobatisch als een mees door het bladerdak en zoekt daar minuscule insecten, spinnen en schildluizen. Groene hylia's bouwen een koepelnest. Meeshylia's maken een grote, zakvormige constructie van plantenvezels, die ook in groepjes als slaapplaats wordt gebruikt.
  • Hyliota's | Hyliotidae2 soortenKleine, geïsoleerde Afrikaanse familie van vier soorten, alle uit het geslacht Hyliota, waarvan er twee in dit gebied voorkomen. Vroeger werden ze bij de zangers of vliegenvangers ingedeeld. DNA-onderzoek plaatst ze als aparte, vroeg afgesplitste tak zonder naaste levende verwanten. Het zijn kleine, compacte vogels met een korte, fijne snavel. Mannetjes zijn van boven glanzend blauwzwart met een opvallende witte vleugelstreep, de onderdelen okergeel tot oranjegeel. Vrouwtjes zijn doffer, meer grijsbruin van boven. Hyliota's leven hoog in het bladerdak van droog open bos, vooral miombo. Daar zoeken ze met korte sprongetjes en fladderende bewegingen insecten op bladeren en twijgen, vaak in gemengde zwermen. Ze zijn onopvallend en moeilijk te volgen tegen het licht. De contactroep is een zacht, hoog getjirp. Het nest is een klein, compact kommetje hoog in een boomvork.
  • Afrikaanse zangers | Macrosphenidae13 soortenDeze familie is pas recent opgericht op basis van DNA-onderzoek. Ze brengt een uiteenlopende groep Afrikaanse zangerachtigen samen die vroeger over de Oudewereldzangers verspreid waren. De familie is een van de oudste takken van de zangers en verwanten en komt alleen in Afrika voor. De vormen lopen sterk uiteen. Crombecs (Sylvietta) zijn kleine, bolle vogeltjes met een lange snavel en een bijna ontbrekende staart. Ze kruipen als een boomklever langs takken. Langsnavels (Macrosphenus) zijn bosbewoners. De Kaapse grasvogel (Sphenoeacus) en de Baardgraszanger (Melocichla) zijn grote zangers van hoog gras en ruigte, met een lange, rafelige staart. De Rotsspringer (Achaetops) leeft op rotsige hellingen in Namibië en Angola, de Victorin's zanger (Cryptillas) in vochtige fynbos. Vrijwel alle soorten eten insecten en leven verscholen in dicht struikgewas, gras of ondergroei van bos, en zijn daardoor moeilijk te zien. De luide, karakteristieke zang is meestal de beste manier om ze op te sporen. Crombecs hangen een zakvormig nest aan een twijg, de grasbewoners maken een diepe kom laag in de vegetatie.
  • Vlekkeeltjes | Modulatricidae2 soortenEen van de minst bekende vogelfamilies van Afrika, met drie soorten in drie geslachten. Vroeger werden ze als babbelaars of lijsters beschouwd. DNA-onderzoek toonde aan dat ze een eigen familie vormen, verwant aan de Afrikaanse suikervogels. In dit gebied komt alleen het Vlekkeeltje (Arcanator orostruthus) voor. Het is een gedrongen, lijsterachtige vogel met een olijfbruine bovenkant; keel en borst zijn geel en donker gevlekt. Zoals alle soorten in de familie is het beperkt tot geïsoleerde bergbossen, 'eilanden in de lucht' gescheiden door laagland: enkele Eastern Arc-gebergten in Tanzania en de berg Namuli in Noord-Mozambique. Het Vlekkeeltje houdt zich schuil op of vlak boven de bosbodem en zoekt tussen strooisel, mos en lage begroeiing naar insecten en andere ongewervelden. Over broedbiologie en zang is weinig bekend. Door zijn kleine, versnipperde leefgebied en voortgaande ontbossing geldt de soort als kwetsbaar.
  • Monarchen | Monarchidae6 soortenKleine tot middelgrote, beweeglijke insecteneters van bos, bosrand en rivierbegeleidend geboomte. De snavel is breed en plat, met een wijde muil en stijve borstelveren langs de mondhoeken die helpen vliegende prooi te vangen. Monarchen jagen actief. Ze vliegen vanaf een zitplaats kort uit, pikken insecten van bladeren of vangen ze in een snelle, fladderende luchtjacht, en waaieren daarbij vaak met staart en vleugels. Bij de paradijsmonarchen (Terpsiphone) draagt het mannetje een kuif, een glanzend blauwe oogring en snavel en sterk verlengde middelste staartpennen, die bij de Afrikaanse Paradijsmonarch de lichaamslengte ruim overtreffen. Binnen één soort komen roestbruine, witte en tussenvormen voor. Trochocercus is korter gestaart en leeft verborgener, in dichter bos. Het nest is een klein, compact kommetje op een dunne horizontale vork, stevig omwonden met spinrag en aan de buitenkant bekleed met korstmos, zodat het wegvalt tegen de tak. Beide ouders broeden, ook het mannetje met zijn lange staart die over de rand van het nest hangt. De roep is een schel, raspend gekrijs. De zang is een korte, heldere fluittriller.
  • Nicators | Nicatoridae3 soortenEen kleine, uitsluitend Afrikaanse familie van forse, lijsterachtig grote zangvogels met een olijfgroene bovenkant, grijsachtige onderdelen en opvallende gele vlekken op de vleugeldekveren. De snavel is zwaar en heeft een lichte haak. Mannetjes zijn duidelijk groter dan vrouwtjes. In bouw en kleur lijken nicators zo op buulbuuls dat ze lang bij die familie werden ingedeeld. Later werden ze bij de klauwieren of de struikklauwieren geplaatst, tot DNA-onderzoek aantoonde dat ze een geïsoleerde, oude tak vormen die een eigen familie verdient. Nicators leven verborgen in dicht struikgewas, bosranden en ondergroei van droog en vochtig bos. Daar zoeken ze langzaam en methodisch naar insecten, rupsen en andere ongewervelden, aangevuld met wat vruchten. Ze worden veel vaker gehoord dan gezien. Vanuit dekking klinkt een verrassend luide, rijke en ver dragende zang: een snelle, abrupte reeks volle fluittonen en borrelende klanken die niet bij zo'n onopvallende vogel lijkt te passen. Het nest is een dun, bijna doorzichtig schaaltje van twijgjes laag in een struik.
  • Grondtimalia's | Pellorneidae3 soortenKleine, bruine, onopvallende zangvogels van de schemerige ondergroei van vochtig bos. In zuidelijk Afrika vertegenwoordigt het geslacht Illadopsis de familie. Ze lijken op kleine lijsters, met een rechte, vrij slanke snavel, stevige poten, afgeronde vleugels en een korte tot middellange staart. De bovenkant is warm bruin, de onderkant grijs tot bleek. De soorten verschillen onderling vooral in de tint van keel en flanken en zijn in het veld lastig uit elkaar te houden. Illadopsissen zoeken hun voedsel op of vlak boven de bosbodem. Ze keren met de snavel bladeren om en pikken mieren, kevers, spinnen en andere kleine ongewervelden uit het strooisel. Ze leven in paren of kleine groepjes en blijven bijna altijd in dekking. Tegenover dat bescheiden voorkomen staat een opvallende stem: heldere, zuivere fluittonen in korte, stijgende of dalende reeksen, vaak in duet, en een belangrijk kenmerk om soorten te onderscheiden. De familie werd pas na DNA-onderzoek afgesplitst uit de vroegere, zeer brede Timaliidae, die een verzamelbak bleek van onverwante groepen.
  • Pitta's | Pittidae1 soortGedrongen, lijsterachtige bodemvogels van tropisch bos, met een zeer korte staart, een forse snavel en lange, sterke poten om mee over de bosbodem te huppen. Het verenkleed bestaat uit scherp begrensde vlakken als bij een edelsteen. Bij de Afrikaanse Pitta zijn dat een groene rug, hemelsblauwe vlekken op vleugel en stuit, een zwart-bruingele kopstreping, een bruingele borst en een scharlakenrode onderbuik. Toch zijn pitta's uiterst moeilijk te vinden. In het halfdonker van de bosbodem vallen de kleuren weg, en de vogel blijft bij verstoring roerloos zitten of rent weg. Ze zoeken regenwormen, slakken en insecten door met de snavel bladeren weg te slingeren. In de baltstijd laat het mannetje vanaf een lage tak een luide, kikkerachtige roep horen, 'prrroup', waarbij hij opspringt en de witte vleugelvlekken toont. De Afrikaanse Pitta is een trekvogel binnen Afrika. Hij broedt in de regentijd in laaglandbos en dichte struwelen van onder meer Mozambique, Malawi en Zimbabwe en overwintert noordelijker in Oost-Afrika. Hij trekt 's nachts, en verdwaalde vogels belanden soms in tuinen. Het nest is een koepel van takjes met een zij-ingang.
  • Batissen en lelogen | Platysteiridae14 soortenEen gevarieerde, zuiver Afrikaanse familie van kleine, grootkoppige, kortstaartige vliegenvangerachtige vogels met een brede, platte snavel met een klein haakje. De lelogen (Platysteira, Dyaphorophyia) hebben een opvallende lel: een ring van naakte, felgekleurde huid rond het oog, rood, blauw of groen naar soort. De batissen (Batis) zijn grijs, zwart en wit, vaak met een gele of oranje iris. Mannetjes dragen meestal een zwarte borstband, vrouwtjes een roestbruine, waardoor de geslachten goed te onderscheiden zijn. De Witstaartklauwier (Lanioturdus) van Namibië en Angola is een langpotige, bodemzoekende afwijking binnen de familie. Ze vangen insecten door vanaf een zitplaats uit te vliegen of door bladeren en takjes af te zoeken. Opvallend zijn de knetterende geluiden die ze met de vleugels maken tijdens baltsvluchten en bij alarm. De roep bestaat uit eenvoudige, herhaalde fluittonen, bij batissen vaak een dalende reeks van twee of drie noten. Het nest is een piepklein kommetje, dicht omwonden met spinrag en bekleed met korstmos, op een tak in bos of savanne.
  • Gevlekte boomkruipers | Salpornithidae1 soortEen familie met één geslacht, waarvan in Afrika één soort voorkomt: de Afrikaanse Gevlekte Boomkruiper. Het verenkleed is donkerbruin met dichte witte en bruingele spikkels en bandering, en valt volledig weg tegen ruwe schors. De snavel is dun en duidelijk naar beneden gebogen. De vogel klimt in een spiraal rond de stam omhoog, peutert met de snavel insecten, spinnen en larven uit schorsspleten en vliegt dan naar de voet van de volgende boom. Hij lijkt daarmee sterk op de Euraziatische boomkruipers (Certhia), maar mist hun verstijfde steunstaart: de staart is zacht en wordt niet tegen de stam gedrukt. De overeenkomst is grotendeels convergent. DNA-onderzoek plaatst Salpornis wel in dezelfde groep als boomkruipers, boomklevers en winterkoninkjes, maar als een aparte, oude tak buiten de echte boomkruipers. De soort is stil en onopvallend, vaak alleen of in paren, soms in gemengde groepen, en leeft in open miombo- en ander droog bos en boomsavanne. Het nest is een klein kommetje in een horizontale takvork, gecamoufleerd met stukjes schors, korstmos en spinrag.
  • Elfvliegenvangers | Stenostiridae4 soortenEen kleine familie van zeer kleine, tengere, vliegenvangerachtige vogels met zacht, los verenkleed. In zuidelijk Afrika zijn ze vertegenwoordigd door de blauwe kuifvliegenvangers (Elminia) en de Elfvliegenvanger (Stenostira). Ze werden vroeger bij de echte vliegenvangers of de monarchen ingedeeld. DNA-onderzoek toonde echter aan dat ze, samen met enkele Aziatische geslachten, een eigen tak vormen, verwant aan de mezen. De kleuren zijn vooral blauwgrijs, leigrijs en wit. Elminia-soorten dragen vaak een kuifje en hebben een lange staart met witte randen. De Elfvliegenvanger is grijs met een zwart masker, een witte wenkbrauwstreep en een witte vleugelstreep. Ze zijn onrustig en beweeglijk: ze waaieren voortdurend met de staart, hangen de vleugels half open en schieten tussen de bladeren door. Zo jagen ze kleine insecten op, die ze in de lucht vangen of van het blad pikken. Elminia leeft in bladerdak en bosrand van berg- en rivierbos. De Elfvliegenvanger broedt in Karoo- en fynbosstruweel en trekt in de winter oostwaarts naar warmere streken. De roep is een ijl, hoog gepiep of een korte, snelle triller.
  • Vanga's en helmklauwieren | Vangidae6 soortenEen familie die op Madagaskar een spectaculaire radiatie heeft doorgemaakt. Daar ontstonden vanga's met snavels als van een specht, een boomkruiper, een klauwier of een grote haaksnavel. De vertegenwoordigers in zuidelijk Afrika zijn veel eenvormiger: de helmklauwieren (Prionops) en de klauwiervliegenvangers (Bias, Megabyas). Dat deze Afrikaanse vogels verwant zijn aan de Malagassische vanga's, bleek pas uit DNA-onderzoek. Ze hebben een stevige, klauwierachtige haaksnavel en eten vooral insecten, die ze van takken en bladeren pikken of in korte vluchten vangen. Helmklauwieren hebben een felgekleurde lel rond het oog, geel of rood, en veelal een kuif of stijve voorhoofdsveren. Ze leven het hele jaar in luidruchtige familiegroepen van vijf tot twaalf vogels, die dicht bijeen door savanne en bos trekken. Onderweg houden ze contact met snavelklappen, gekwetter en koorachtig geratel. Ze broeden coöperatief: één dominant paar legt eieren, en alle groepsleden helpen bij bebroeden, voeren en verdedigen. Het nest is een compact kommetje, glad omwonden met spinrag, op een horizontale tak.
  • Brilvogels | Zosteropidae4 soortenKleine, groengele zangvogels, direct herkenbaar aan de witte oogring van piepkleine, dichte veertjes. De snavel is kort, spits en licht gebogen. De tong eindigt in een borstelachtig puntje waarmee ze nectar opnemen. Het menu is gevarieerd: insecten en spinnen die van bladeren en bloemen worden gepikt, nectar, en zacht fruit dat ze aanprikken. Buiten de broedtijd leven brilvogels in drukke groepen die snel van boom naar boom trekken. Ze houden onafgebroken contact met ijle, hoge roepjes. De zang is een snelle, afwisselende reeks gekwetter. Ze broeden in paren. Het nest is een fijn kommetje dat als een hangmatje in een takvork is gebonden, en broedduur en nestperiode zijn met elk ongeveer elf à twaalf dagen opvallend kort. Het geslacht Zosterops behoort tot de snelst gediversifieerde vogelgroepen ter wereld. Groepen hebben zich vanuit Afrika en Azië over talloze eilanden en eilandengroepen verspreid en splitsten zich daar in korte tijd in afzonderlijke soorten. In zuidelijk Afrika leven ze in bosrand, struweel, rivierbos, savanne en in tuinen.