Alle soorten › Zangvogels › Tsjagra's en bosklauwieren

Tsjagra's en bosklauwieren | Malaconotidae

Bushshrikes | Chagras y bubús

Klauwierachtige zangvogels van struweel, doornbos en bosrand, met een zware, aan de punt gehaakte snavel en stevige poten waarmee ze grote insecten, hagedissen en jonge vogels vastzetten. Anders dan de echte klauwieren zitten ze zelden op een open uitkijkpost; ze schuifelen door het dichtste deel van de struik en zijn veel vaker te horen dan te zien. Het geluid is het kenmerk van de familie: heldere gefloten reeksen die man en vrouw als een duet in elkaar schuiven, zo strak op elkaar aansluitend dat het als één vogel klinkt, bij sommige soorten aangevuld met een raspend of klikkend antwoord van het vrouwtje — een manier om in dekking het territorium te verdedigen en het paar bijeen te houden. Het verenkleed loopt uiteen van egaal zwart met wit op de vleugel tot groen met een geel, oranje of hoogrood borstschild, en een aantal soorten draagt een zwarte kopkap of een zwart masker; de oogkleur — geel, rood of wit — is bij verscheidene geslachten een bruikbaar kenmerk. De mannetjes van de poederdonsklauwieren zetten bij baltsvluchtjes een dikke witte donspluim op rug en stuit op, zodat de vogel als een bol boven de tak lijkt te zweven, begeleid door een klikkende vleugelslag. Het nest is een kleine, ondiepe kom van twijgjes en wortelvezel in een vork, vaak zo dun dat de eieren van onderaf zichtbaar zijn; de vlucht is kort en zwaar, van struik naar struik.

Inheemse soorten 23 soorten

Soorten die hier van nature voorkomen: broedvogels, wintergasten en doortrekkers. Ze staan per geslacht, in de volgorde van de lijst.

Nilaus 1 soort

Dryoscopus 2 soorten

Tchagra 3 soorten

Laniarius 7 soorten

Telophorus 2 soorten

Chlorophoneus 5 soorten

Malaconotus 2 soorten

Bocagia 1 soort